Blogs cinebel.be
cinebel.be | Créer un Blog | Avertir le modérateur

25-04-18

De Mensengenezer Koen Peeters

lukas de vos

lukas de vos


HET BOEK ALS FETISJ

 

Laudatio voor Koen Peeters, winnaar van de derde Konfituurprijs der Onafhankelijke Boekhandelaars. Sint-Niklaas, De Casino, 22 april 2018.

 

Lukas DE VOS

 

 

Het is de eerste, en wellicht ook de laatste keer in mijn leven dat ik een laudatio moet houden voor een bankier. Let wel, van werken voor een bank en haar kommunikatie, kun je veel leren. Wervend schrijven, de betrekkelijke waarde van geld inschatten, je werk nooit mee naar huis nemen, en beleggen. Koen Peeters weet zoveel van futures, rommelkredieten, Britse Maagden(eilanden) en bitcoins als Paskal Paepen. Of hij daarmee rijk is geworden weet ik niet, en wil ik ook niet weten, maar wie op 58 op pensioen kan gaan, is ofwel tevreden ofwel ontslagen. Koen Peeters is ongetwijfeld een blije, verloste man. Dat spuit uit zijn hele oeuvre. Hij heeft met zijn bankervaring in elk geval zijn prijzen kunnen vermenigvuldigen – Nieuwe Yangprijs (1988) voor Conversaties met K, AT&T (ex-NRC, 1994) voor De Postbode, Bordewijkprijs voor De Bloemen (2009), Du Perronprijs (2013) voor Duizend Heuvels, ECI-Literatuurprijs voor De Mensengenezer (2017) en meteen ook de Konfituurprijs 2018, straks misschien de Nobelprijs. Als Bob Dylan hem kan krijgen, dan Peeters des te meer. Op voorwaarde dat de jury in Zweden zich ten minste niet verder te buiten gaat aan baldadig overspel. En toch klust Peeters nog wat bij als bouwvakker bij zoon en schoonzoon, hij komt ten slotte uit de Kempen. Daar werken ze hard en zwijgen ze veel.

 

Het omgekeerde gebeurt in zijn romans. Daar zwijgen ze hard en werken ze veel. Als je een naam draagt waarmee je je in Antwerpen straks niet meer durft te vertonen, dan is verstandig zwijgen een grote troef. Gebruik je ogen, leer luisteren, verzamel alle nuttige en onnuttige dingen, want ooit zullen ze bruikbaar zijn voor een boek. Dat heeft Koen Peeters tot diepe inzichten gebracht, die hij kwansuis met de losse hand tot mozaieken uitwerkt. Objets trouvés, je kunt er zoals facteur Cheval een uniek bouwwerk mee maken. Een levenswerk met gevonde voorwerpen, Peeters doet het met snippers, krantenartikels, eindeloze gesprekken, boutades, een notaboekje. Zijn verzamelwoede is een opvangnet voor zijn bekentenis: “Ik heb geen verbeelding”. Maar hij kan fantastische kollages maken.

 

Zo gaat Koen Peeters in tegen alle trends. Waar de modernisten het nihilisme, het cynisme en de dekonstruktie propageren, kiest Peeters een andere weg. Hij is de schrijver van de re-konstruktie. Niets gaat verloren, en zelfs dat niet. Maar zoals je een robot in elkaar moet schroeven en van energie moet voorzien, is de mens – Peeters' enige onderwerp – niet anders: een maaksel dat gevoed moet worden. Zelf noemt Peeters de mens een defekt wezen. “In elke kultuur is er verminking” schrijft hij in De Mensengenezer, maar dat geloof ik niet. De mens is wat Herakleitos – als de burgemeester van Antwerpen kwistig Latijn mag rondstrooien, kan ik ook citeren, maar dan wel uit een echte kultuurtaal, het Grieks – wat Herakleitos dus noemt 'Ηθος 'Ανθρωπῳ Δαίμων, “èthos anthropooi daimoon”, los vertaald: “het wezen (van de mens) is zijn lotsbestemming”. Het wezen van de Westhoek, daarmee opent De Mensengenezer. “Het wezen, er bestaat misschien zoiets als het wezen van de Westhoek”.

 

Het is een uitgangspunt dat universeel is, onaanvechtbaar, en de rode draad van De Mensengenezer. In deze tijd zou men de heelmeester technikus of programmator noemen, zelf houdt Peeters het bij antropologische nieuwsgierigheid en zielkunde. Ik gebruik het woord “zielkunde” liever dan psychologie of psychoanalyse, omdat het precies omschrijft waar Remi, de flinke boerenzoon uit de Westhoek, op zoek naar gaat. Naar zichzelf. Daar zit een religieuze dimensie aan, daar zit een brok onbereikbaarheid in, daar hangt vooral veel bescheidenheid aan vast.

 

Als jongen raakt de boerenzoon gefascineerd door de zwarte soldaat Pius, één van de negen zwarten die in de Westhoek meevocht tegen den Duits. Hij is dan wel gesneuveld in 1918, maar dat weet Remi niet en doet niet ter zake. Hij onthoudt alleen wat zijn oom Marcel hem vertelt: Pius had een gave: hij kon nachtmerries verdrijven. Dat zal wel nodig geweest zijn in het zompige niemandsland achter de Ijzer, en de nachtmerries zijn eigenlijk nooit verdwenen, ook vandaag nog vechten de doden onderaards voort, dat weten de boeren, als ze weer es op een granaat rijden. Maar doodsangst en schrik voor het onbekende kun je bezweren, Pius deed het met een motto dat ik me nog herinner van Zwette Zjef, de eerste neger die ik zag en die bij elke kermis noegabollen en neuzekes en antraciet verkocht 'Lekka lekka lekka', riep hij met een brede glimlach. Of op zijn Brussels, en het is het motto van dit boek geworden: “Carabouya, carabouya, alleman moo leive, wit en zwet, carabouya”. Carabouya is hard, purperzwart snoepgoed. Homeopatie dus. Of beter: een placebo.

 

Angst is namelijk weinig meer dan het besef dat er iets ontbreekt, iets uit de haak is. Daardoor is elke mens een uitwijkeling, want hij voelt voortdurend een onbestemd gemis. Dat te ontdekken is de stap naar verzoening met zichzelf, maar die kan lang duren. Oom Marcel moet zijn erf niet verlaten, hij vult de latente dreiging met malice, nog een kernwoord van dit boek, boerensluwheid. Remi daarentegen is een vluchteling als alle anderen: hij moet zijn spleen bezweren, zijn eigen duistere raadsels oplossen. Elke mens is een vluchteling in zijn bast. Wat wil de vluchteling ? Houvast. Begrijp Peeters niet verkeerd: de mens ontvlucht zijn omgeving niet, het is de wereld die onder zijn voeten wegdrijft. Hij gaat op zoek naar zichzelf en wat hem heel maakt, hem heelt. Dat kan alleen gebeuren door ontmoetingen, gesprekken, heimwee, ogen en oren de kost te geven.

 

Voor Remi is benauwdheid als het onweer dat op kruciale momenten losbarst. Het zijn de bliksemflitsen en het gedonder die hem bij de les houden, als hij dreigt vast te lopen in zijn zoektocht. Elke mens gaat zijn eigen eenzame weg, hij wordt immers geroepen door krachten die hem te buiten gaan. Remi treedt in bij de jezuïeten, en sluit zich op in het doolhof van zijn eigen innerlijk. Tot Pius weer bovenkomt. Zijn graf is onvindbaar, maar zijn geboortestreek niet, in de Kwango bij de Yaka. Remi beseft in een vonk: daar zal ik mezelf moeten vinden. Hij vertrekt als missionaris. Een tropisch onweer, alweer, verheldert zijn missie: “Dit was de essentie van mijn opleiding en inzet: ik zou mezelf verliezen, aanpassen, eindeloos leren. De ander imiteren en hem zo van binnenuit ontdekken, dan zou ik misschien ontvankelijk zijn voor het echte leven”.

 

De “godsdienstige” roeping is voor Peeters niets anders dan een matrijs, een drieslagstelsel, dat sommigen de drie goddelijke personen noemen, maar dat hij samenvat in drie krachten: de geest, de genius, de daimon. De drie personen zijn er ook: de verteller, de professor die Remi wordt, de schrijver. Die drie krachten bepalen de persoonlijkheid. De geest is het resultaat van familie en invloeden. De genius is de plaatsgeest, een honkvastheid aan je plek. De daimon is de bemiddelaar, de mensen die je ontmoet, die zoals Herakleitos opperde, zaait – wijsheid, inzicht uitdeelt. Het is de weldadige natuurgeest van de Grieken, die eigenlijk de ziel is van een mens uit het ongerepte Gouden Tijdperk. In De Mensengenezer zijn dat niet alleen de zwarte magiërs, maar iedereen die mee inspiratie gaf aan de roman, de dankbetuiging staat als een volwaardig hoofdstuk ingebed achteraan. In het thema is dat het onstelpbaar verlangen naar de de onschuld, de argeloosheid, en de nog niet versplinterde eendimensionaliteit van het kind.

 

Die kind-toestand is het bindmiddel dat de medicijnman blijft oproepen. “Groepen mensen worden gedreven door hun groepsidealen en die zijn altijd herleidbaar tot de kindertoestand”, schrijft Géza Róheim in The Origin and Function of Culture (1943) – maar het is juist die groepsidentifikatie die moet afgepeld worden om tot de kern van het bestaan en de identiteit door te dringen. “De medicijnman doet daarom niets anders dan de systemen van symbolische fantasie die in de psyche van ieder volwassen lid van de gemeenschap aanwezig zijn zichtbaar en openbaar maken”, voegt Joseph Campbell daar aan toe in De Held met de Duizend Gezichten (1949). Hij is de bemiddelaar, de koppelaar van het uitwendige (maatschappelijke) en het onvervreemdbare (de geest).

 

Het wezenlijke woord is gevallen: de geest. Wat Peeters doet staat gelijk met dronkenschap. Geestrijke dranken ontsnappen ons, gedeeltelijk toch, een deel van de alkohol vervliegt, het zogenaamde engelendeel. Het wordt dus eterisch. Ze doen ons ook ontsnappen aan het illusoire bestaan, waarin de mens alleen gedefinieerd wordt door zijn maatschappelijke konnekties, funkties, opinies. Een vervormd beeld. De mens verdooft zichzelf om uit zijn gekorrumpeerde zelf uit te stijgen. Zo gebruikten de tovenaars bij de indianen hasjiesj of koka, of snoven zij dampen op van verdovende middelen, om die uittreding (of intreding, zo u wil, in de 'andere' wereld) uit te lokken. Zo houden ook de daimonen zich niet aan onze verengde, strikt rationele kijk op de dingen en de mensen. Zij vergeestelijken, gaan op in dromen en trance, lezen geen handen zoals in Mijnheer Sjamaan, maar halen uit de zoekende, de smekende, de ontregelde mens de sleutel die hem verzoent met zichzelf. “Hij is van de wereld”, luidt het dubbelzinnig. Dan gelden andere regels, zelfbeschouwende, spontane, inhibities ook. In die zin zie ik bij Peeters opwellen wat ik vroeger in het armoedige, maar inspirerende Negerengels las van de Nigeriaanse schrijver Amos Tutuola las, in The Palm Wine Drinkard en in My Life in the Bush of Ghosts.

 

Bij Remi is de omslag de dood van zijn moeder, hij beseft dat zijn roeping niks te maken had met het goddelijke, maar met “een stem die hem aanspoort mensen te genezen” – net op een ogenblik dat hij zelf medicijnmannen, sjamanen, nodig heeft om zijn zieke lijf te redden. Heart and soul, one will burn, zong Ian Curtis van Joy Division en hij hing zich op. Remi heeft in de spiegel gekeken, verlaat de Kongo, treedt uit, en trouwt. Hij heeft de tijd en de ruimte gebogen en wéét nu; wij zijn allemaal verloren zonen, wij staan op uit de dood zoals de voorvaderen en de bedolven soldaten uit de Groote Oorlog. Daar reikt de Westhoek de hand aan het Oerwoud, de wereld die uit de haak lag is hersteld, de mens is weer vol geworden. De van buitenaf opgelegde grenzen zijn opgeheven. De somberte en wanhoop om de vernietiging geven inzicht in de herstelbaarheid, in het opvouwen van de tijd. Niets is definitief verloren, zoals Mircea Eliade samenvat in Aspects du Mythe: “La 'mobilité' de l'origine du Monde sera toujours là, même s'il est périodiquement détruit dans le sens propre du terme. (…) Par sa propre durée, le Monde dégénère et s'épuise; c'est pourquoi il doit être symboliquement recréé”.

 

De bescheidenheid die Peeters daarbij aan de dag legt, is tekenend voor zijn genie: hij kijkt nooit neer op de vreemde kultuur, hij tracht er in op te gaan. In dat opzicht heeft hij de grondslag gelegd voor de échte postkoloniale Kongoroman, anders dan Gerard Soete, Jef Geeraerts (Gangreen wordt bij Peeters: “de geest schroeit iedereen met miltvuur”), Erwin Mortier, of David Van Reybrouck. Soete kijkt met minachting neer op de zwarte inboorling, Geeraerts met een mengeling van afschuw en aanbidding, Mortier met mededogen, en Van Reybrouck met nieuwsgierigheid en goedgelovigheid (zoals de man van 126 jaar aantoont). Peeters is de eerste die ontologische gelijkwaardigheid vooropstelt, ongeremd openstaat voor een parallelle kultuur.

 

Voor hem leiden alle wegen naar mensheid en menselijkheid, ook als wij een karikatuur maken van de andere die dan als bedreigend wordt aangevoeld, achterlijk geacht wordt, wreed of primitief is. Maar de zwarte leefwereld is zo diep als de besloten gemeenschap van de Westhoek. Beide maken met evenveel recht aanspraak op volwaardigheid, bezweringskracht, en universele waarde. Dat is moralistisch ja. Maar het is vooral zelfrelativerend. Het voorbeeld geeft pater Staf: “Alle papieren van kursussen die hij ooit volgde verknipte hij meteen. 'A la Julienne', noemde hij dat. Nuttige stukken tekst lijmde hij op de keerzijde van de nutteloze pagina's”. De oude huid afwerpen om een nieuwe aan te nemen. Regeneratie. Zo is ook Koen Peeters. Ik heb van hem vorig jaar een boekje gekregen dat bestaat uit het versneden, geannoteerde manuskript van zijn vorige boek, Duizend Heuvels. Ik begrijp nu waarom. De snipper is een fetisj, zoals de steen voor een sjamaan of het schapulier voor de Westhoeker. Zo is Peeters mijn daimon geworden, en daar kan ik alleen maar tegenop kijken.

 

Bedankt Koen Peeters, en ik hoop dat de Konfituurprijs een bokaal vol jam bevat, liefst de aalbessenjam die Remi elke zondag om vier uur op zijn brood mocht smeren.

10:09 Gepost in Andere, BOEKEN, gasten | Permalink | Commentaren (0) | Tags: lukas de vos

Post een commentaar

NB: commentaren worden gemodereerd op deze weblog.