Blogs cinebel.be
cinebel.be | Créer un Blog | Avertir le modérateur

18-06-17

De Ongrijpbaarheid van E.P. Jacobs

lukas  de voslukas  de vos


 

VERGEELD PERKAMENT

De Ongrijpbaarheid van E.P. Jacobs

 

Lukas DE VOS

 

 

Niets aan het toeval overlaten. Als de meester die aanpak huldigt is er sprake van genie. Als de akolieten zich daar strikt aan houden, dan verzandt het werk in kurkdroge, zielloze imitatie, en slaat de verveling toe. Ik begrijp dus maar al te goed L'Express als het bij de bespreking van het 24e album van of naar de personages van Edgar P. Jacobs, Blake & Mortimer, spreekt van “épouvantable”, en van “un ratage magistral”. Op de kop Het Testament van William S. “On ne sait, du scénario ou du dessin, lequel est le plus affligeant (…) Pas la moindre tension dramatique, pas le moindre mystère, un esthétisme pauvre”.

 

Yves Sente heeft zich nogal wat vrijheden veroorloofd in een scenario dat naar de mottenballen ruikt. André Juillard heeft zo nauwgezet de meester gekopieerd dat het pijn doet aan de ogen. Het is zijn zevende inbreng in de opvolgingsproduktie na de dood van Jacobs in 1987, en naar het zich laat aanzien zijn allerlaatste bijdrage. Hij is geen Hans Van Meegeren die de ultieme finesse van de karakters kan overnemen. Hooguit een begaafd natekenaar. Zelfs Mortimers baard vertoont wat kartelingen op de voorflap, de ogen van Blake zijn zoals altijd blauw en leeg. De verhaalsontwikkeling verwijst in voetnoten, zoals in alle uitgeloogde reeksen, voortdurend naar eerdere afleveringen, de eerste en belangrijkste natuurlijk Het Gele Teken. We zijn nog geen drie bladzijden ver en het is al van dattum: “De hoofdinspekteur en ik hebben al suksesvol samengewerkt” – Kendall van Scotland Yard en Francis Blake van MI5. Sterretje. Onderaan: In Het Gele Teken.

 

Suksesvol, het is maar hoe je het bekijkt. Kendall laat zich de hele tijd ompraten door Blake: een opsporingsbericht op BBC om de ontvoerde Mortimer te vinden; een hele wijk uitkammen (“als het niet lukt, geef ik geen penny meer voor mijn rang van hoofdinspekteur”); een inval in een voormalige schuilkelder die als laboratorium dient voor dr. Septimus maar rijkelijk laat komt na een flater van Septimus die met zijn elleboog tegen de openingsknop drukt en na de wraak van Olrik die Septimus tot asse neerbliksemt (“Hell ! Te laat !”); de teruggave van de Britse kroon die Mortimer, niet de politie heeft ontdekt (“God save the Queen”). Het is eerder opdraven om gedane zaken op te lijsten dan gezamenlijk het geboefte onder druk zetten.

 

Die kroon vindt trouwens zijn verlengstuk in een later album, Het Halssnoer van de Koningin (1967), wellicht het meest ontgoochelende album van de hele reeks die Jacobs zelf ontwierp. De reden daarvoor is niet ver te zoeken. Jacobs verengt zijn wereld hier tot dekor en een rechtlijnig detektiveverhaal. Het dekor blijft wonderlijk Brits, zo vanzelfsprekend mistig, regenachtig, konservatief, koloniaal, en miserabel als de Londense straten van de werkman konden zijn, altijd gekounterd door de weelde en voornaamheid van de society clubs, de betere salons, en de gedistingeerde pubs. Daarom is het ook zo jammer dat het omslag van Het Testament van William S. afbreuk doet aan de smaakvolle bescheidenheid die de personages altijd meekrijgen. Ze moeten opgaan in het milieu, niet omgekeerd, zij mogen het beeld niet domineren. Dat is jammer genoeg wel het geval hier. Een levensgrote Mortimer en zijn mogelijke dochter Elisabeth geknield voor een vernield borstbeeld van Shakespeare, één van de (mis)leidende sporen naar de laatste tekst van de meester. Daarachter in grijs en bruin alleen een ruwe muur en wat houtsnijwerk, alles in de schaduw gesteld door een felgele lichtstraal die het symbolische “Alas poor Yorick” uit Hamlet onderstreept.

 

Sente en Juillard zijn nochtans niet aan hun proefstuk toe. Van het Franstalig origineel van Het Voronov-Complot (2000) werd de voorflap al na de eerste druk vervangen omdat hij zondigde tegen de eerste regel van Jacobs: laat de hoofdpersonen zo min mogelijk op de voorgrond treden. Dat was, op een heel andere manier, het geval ook met Het Gele Teken. In het oorspronkelijk ontwerp waren Blake en Mortimer, in Italiaans plan, weggedrukt in de rechterbenedenhoek. Achter hen rijzen somber Big Ben en de Houses of Parliament op, onder een dreigende, donkere hemel en bliksemschichten. Maar het hele blad siddert onder een reusachtige Murnau-schaduw van een klauwende schim met borende ogen. Achter het monster is het Mu-teken als symbool en aureool rond de kale kop (van Nosferatu) gelegd. Hergé kon dat niet pruimen. Hergé had als artistiek direkteur “jugé trop inquiétante pour les 'jeunes de 7 à 77 ans' cette ombre planant au-dessus des bords de la Tamise”. De geborneerdheid van Hergé ging zelfs zover dat het wapen uit de hand van Blake werd verwijderd. Nu Het Gele Teken in zijn oorspronkelijke vorm is heruitgegeven, zoals het in Kuifje verscheen, is het oude ontwerp, zonder verontrustende hemel, gewoon tegen een donkergrijze nachtlucht (en zonder het gewraakte pistool) in ere hersteld.

 

Het was trouwens eerder al in de reeks Joseph Rouletabille (nog een bron voor Jacobs) gepasticheerd. Niet voor niks is het André-Paul Duchâteau, één van de drukste en vruchtbaarste scenaristen van na de oorlog (vooral Rik Ringers is uit zijn koker gekomen), die als eerbetoon aan de meester en zijn bron het album Het Spook van de Opera (1989) met een getrouwe kopie van de schim (maar wel gespiegeld vanuit de rechterkant) liet verschijnen. Bernard Swysen maakte de tekening. Het eerbetoon was drieledig: aan Jacobs de tekenaar; aan Jacobs de operazanger; aan Jacobs die te rade ging bij Gaston Leroux.

 

Leroux schreef Le Fantôme de l'Opéra in 1909-1910. De romantische horrortragedie werd in 1925 verfilmd door en met Lon Chaney. Het aantal kroonluchters dat (moedwillig veroorzaakt) neerstort in de verhalen van Jacobs verwijzen naar een wraakscène in de roman en film, omdat de gruwelijk verminkte afperser zijn geliefde zangeres niet in de hoofdrol ziet optreden zoals geëist. Ook de geheime gangen, en het onderaards gewelf waar het Spook zich schuilhoudt zijn stokbeelden. Opera was, het is geweten, de grote liefde van Jacobs. Al van toen hij in 1917 in Brussel, in het Théâtre des Galeries, Faust van Gounod had gezien, was hij verkocht aan belcanto. In de jaren dertig, toen hij als bariton was aangenomen in de opera van Rijsel, zong hij zelf mee in Faust – al is het me niet duidelijk geworden of hij de rol van Valentin kreeg, een soldaat die de broer is van de jonge maagd Marguérite, dan wel de kleinere skore van Wagner, een vriend van Valentin. Maar ook hier was de film nooit ver weg. In 1926 had zijn geliefkoosde regisseur F.W. Murnau de opera al verfilmd, met onder meer Gösta Ekman, Emil Jannings en Camilla Horn.

 

Maar een eendimensionele huis clos benadering zet de schijnwerper volledig op de ouderwetse, soms krakkemikkige en bombastische taal die het beeld overwoekert. Jacobs behoudt wel zijn slechterik Olrik, en net die gooit Sente zo goed als overboord. Hij mag vanop afstand nog meewerken, vanuit zijn cel, maar is teruggebracht tot een abstrakte, afwezige opdrachtgever. Een toegeving aan de lezers van Blake & Mortimer tegen heug en meug, die Sente zwak verantwoordt: “C'est une contrainte volontaire que je m'impose. Je trouve que c'est un personage embarassant”. En wat in je weg zit, kun je best met wortel en tak uitroeien. Hij schuift de verantwoordelijkheid af op Jacobs zelf. “Déjà E.P. Jacobs était tenté de s'embarrasser dans Le Piège Diabolique, mais les lecteurs le lui avaient reproché et il avait éteé prié par l'éditeur de le remettre dans le récit”. Jacobs kende zijn klassieken te goed om zich daartoe te lenen. Net als Dr. Moriarty kan de door- en doorslechte Olrik niet doodgaan, hij verdwijnt mysterieus, en kan altijd opnieuw zijn opwachting maken.

 

De navolgers van Jacobs hebben zich nog enkele malen gewaagd aan het puur sfeerscheppende van de thriller. Maar zowel in De Zaak Francis Blake (1996, Jean Van Hamme & Ted Benoit, die snel tot inkeer kwamen in hun volgende album Bericht uit het Verleden, 2001) als in De Eed van de Vijf Lords (2012, jawel, van Sente & Juillard) pakt de mayonaise niet. Daar zijn twee redenen voor. Traagheid en verbeelding. Jacobs werkte ontzettend traag, maar dat had alles te maken met overpeinzing, afvijling, perfektionisme. Het was een natuurlijke traagheid die ook de rustige bedachtzaamheid van Mortimer kenmerkt. Een traagheid die het resultaat is van wetenschappelijke, objektieve afweging, niet van gratuïte breedsprakerigheid. Bij Sente is traagheid alleen het gevolg van het dupliceren van een origineel, al dient gezegd dat zijn scenario stevig onderbouwd is en met een verrassend alternatief naar voren komt. Maar dat een kritikus dit verhaal een “canada dry” noemde, heeft alles vandoen met de kern van de aanpak, die van een verstikkende stoffigheid is. Alles is kopie, alles is herkauwd, en er zit geen wetenschappelijke fantasie in, onmisbaar nochtans in elk verhaal van Blake & Mortimer. Het enige onderdeeltje is de mechanische pop, de opgesloten automaat in de ondergrondse geheime kamer van Da Spiri's palazzo, waar de zoektocht na drie eeuwen op gang kan komen. Het raderwerk was geblokkeerd geraakt kort na de plaatsing van de automaat door een aardbeving, het raakt opnieuw vlot doordat een schip de buitenmuur van het palazzo ramt. Het zal blijken dat er in feite weinig wetenschappelijks aan de opstelling kan vastgeknoopt worden. Wel herneemt Sente de keuze waarvoor ook de geliefde van Portia uit De Koopman van Venetië gesteld werd, de juiste sleutel te kiezen uit drie, of anders is de totale breuk onafwendbaar.

 

Het duo is vooral gefascineerd door geschiedenis en geopolitiek, maar heeft geen echte kaas gegeven van virtuele wetenschappelijke hypotezes en spekulaties.

 

Met Het Testament van William S. steekt dat de ogen uit. De titel is niet nieuw. De inspiratie evenmin. De allereerste volwassenenroman van Anthony Horowitz – die, een unikum, eerst in het Nederlands verscheen door toedoen van Walter Soethoudt en nooit in het Engels; er is wel een Spaanse vertaling gemaakt – heette William S. (1999). Horowitz verplaatste Shakespeare naar vandaag, in de filmwereld van Hollywood. Het is een mysterieus speurdersverhaal. Als Jacobs dat doet, dan gebruikt hij zijn fascinatie voor de Duitse film en voor de vroege thrillerauteurs zonder omwegen. Dat heb ik al aangetoond in een eerder artikel, “De Bekering van Olrik”, over De Septimus-Golf (2013, Dufaux, Aubin & Schrèder) waarin ik inga op de direkte bronnen (Tesla's bolbliksems, de Hammerfilms, Fritz Lang, Murnau, Hitchcock). Sente & Juillard hebben de meester gekopieerd zonder diens inspiratiebron zelf te raadplegen. Namaak naar een bewerking dus. Ik denk met name aan de rol die Gaston Leroux heeft gespeeld voor Jacobs, inzonderheid met de politieroman Le Mystère de la Chambre Jaune (1907). De titel suggereert het: het gaat om het intussen archetypisch geworden raadsel van de gesloten kamer, waarin toch een misdaad is gepleegd. Hoofdpersoon is journalist Rouletabille, die zich niet gelegen laat aan de aanvaarde politiemetodes van topspeurder Larsan en out-of-the-box denkt om een verklaring te vinden voor de zieltogende Mathilde. Zij wordt gevonden in de gele kamer naast het labo van haar vader, hoewel de deur van binnenin gesloten is. Mathilde is, uiteraard, de dochter van een geleerde die verregaande natuurkundige eksperimenten doet – het zou Jacobs niet zijn als zijn interesse niet was opgewekt door de gedreven professor Stangerson. Om kort te gaan: een liefdesdrama lag ten grondslag aan de poging tot moord, Larsan blijkt eigenlijk de gehaaide, doodgewaande schurk Ballmeyer te zijn (de dubbelrollen van Olrik in vrijwel alle albums zijn daar schatplichtig aan), de aangeklaagde verloofde van Mathilde, Darzac, is onschuldig, het afgeperste slachtoffer had zich verborgen voor haar ex-echtgenoot Larsan en was zelf op de scherpe rand van haar nachttafeltje gevallen. Rouletabille ontmaskerde Larsan door op het proces bewust een onderbreking te vragen. Larsan/Ballmeyer maakte zich gealarmeerd uit de voeten en bekende zo meteen schuld aan zijn psychologische terreur en de moordpogingen. Jacobs was dol op dat soort situaties, in vrijwel elk album komt een besloten ruimte voor, liefst helgeel belicht, van spelonken in De Valstrik tot het kasteel in S.O.S. Meteoren, van het labo waarop de riolen van Londen uitgeven in Het Gele Teken tot de schatkamer van Achnaton waar het goud oplicht in Het Geheim van de Grote Piramide.

 

Sente & Juillard hebben die obsessie voor de “gele kamer” (die Jacobs ook in zijn eigen, nu afgebroken landhuis in Lasne had) overgenomen, zonder de narratieve draagwijdte ervan te beseffen. In Het Testament van William S. schetsen ze zeven bladzijden lang (blz. 43-49) het privémuseum van Peggy Newgold, de kunstzinnige vriendin van de hoofse markies Stefano da Spiri. In Venetië uiteraard, want Newgold is het alter ego van Peggy Guggenheim, die inderdaad een museum voor moderne kunst in de dogenstad heef opgezet. Ze loopt parmantig rond in een Mondriaanjurk van Yves Saint-Laurent uit 1965. Aan de muur van het museum hangen soortgelijke geometrische kleurenkomposities. En het museum zelf, met steevast gele muren, is de plek waar het enigma wordt aangebracht, de geheimzinnige brief met de drie sleutels om de waarheid over Shakespeare en zijn nagelaten werk te ontcijferen.

 

Want Sente & Juillard duiken uitsluitend in dat verleden. Ze kaarten vier onopgeloste raadsels uit het leven van de bard aan: de rekonstruktie van het (al dan niet vermeende) auteurschap, de “uitgewiste jaren” (1585-1592), het lot van zijn laatste, onuitgegeven stuk, en de dood van de toneelschrijver uit Stratford-upon-Avon.

 

Het voordeel is dat deze vier thema's al eeuwen de inzet zijn van akademische disputen. Er bestaat inderdaad een School van Oxford die al enkele eeuwen betwist dat de simpele zoon van een baljuw en een huisvrouw de nodige schrijfkapaciteiten én de kennis van buitenlandse toestanden kon bezitten om zo'n indrukwekkend oeuvre bijeen te schrijven. De toen traditionele verafgoding van de Italiaanse kultuur wordt al meteen aangesneden wanneer Blake en Mortimer in de Royal Albert Hall (en in smoking uiteraard, met een zeer Jacobsiaanse vlinderdas) een opvoering bijwonen van The Merchant of Venice. Een ekskuus om Venetië als achtergrond te gebruiken voor de zelf gefabriceerde mythe als zou Shakespeare niet één, maar twee personen zijn. Het verhaal van de vrekkige jood die een pond vlees wou uit de hartstreek van een schuldenaar doet eigenlijk niet ter zake. Sente maakt er zich vanaf met de openingszin, “In sooth, I know not why I am so sad” (door Heinrich Heine als openingszin gebruikt in Die Lorelei van 1822: “Ich weiss nicht was soll es bedeuten, dass Ich so traurig bin”), en dan drie dubbelprentjes, telkens een toneelbeeld boven aandachtige toeschouwers. Nogal grappig, want het afpersingskontrakt, de slotzinnen, en de doorzichtige huwelijksgok om de rijke Portia te mogen krijgen worden aangehaald – in vrij stroef Nederlands dan nog. Eén voorbeeldje: “If you repay me not on such a day (…) let the forfeit be nominated for an equal pound of your fair flesh, to be cut off and take in what part of your body pleaseth me” wordt: “U zult verplicht zijn mij een pond van uw mooie vlees te betalen, gesneden uit een deel van uw lichaam van mijn keus”. Letterlijk uit beleefd Frans vertaald. Geef me dan maar de ouwerwetse, maar pulserende vertalingen van L.A.J. Burgersdijk of Edward Koster. Overigens is het leuk dat ook Bob De Moor, Hergés rechterhand, later het stuk van Shakespeare ensceneert met “de raadselachtige meneer Barelli” als Shylock, en wel in Barelli et les Agents Secrets (1973) – de politie-inspekteur daarin heet trouwens “Moreau”, zoals de krankzinnige professor in The Island of Dr. Moreau, nog een model voor Jacobs van zijn bewonderde H.G. Wells. De Moor en Jacobs konden het erg goed vinden met elkaar, de Antwerpenaar zou de nagelaten schetsen van het tweede deel van De Drie Formules van Professor Sato: Mortimer contra Mortimer (1971) voorbeeldig tot een volwaardig verhaal afwerken.

 

Sterker in Sentes verhaal zijn wel de verborgen bodems. Het ademt een broeierige sfeer uit van latente verhoudingen: heeft Mortimer ooit een kind verwekt bij zijn jeugdvriendin in India, Sarah Summertown, en die hij later weer op het lijf loopt in Afrika ? (Asterisk: “zie deel 1 van De Sarkofagen van het Zesde Kontinent en Het Heiligdom van Gondwana”, uiteraard van Sente en Juillard, en twee albums die erg schatplichtig zijn aan Jacobs' Het Raadsel van Atlantis). Pleegde Shakespeare overspel en had hij een afkeer van zijn vrouw Anne Hathaway ? (Onwaarschijnlijk als zijn testament uit 1616 het echtelijk bed aan haar schenkt). Hield hij er een homoseksuele relatie op na met een Italiaanse signore, de “wistful hero”, die de bard voorzag van inspiratie, geld en achtergrond voor zijn stukken ? Die is droefgeestig omdat zijn achterdochtige vader hem terugroept naar Italië en hem scheidt van zijn trouwe gezel. (In het Nederlands gaan de initialen W.H. perfekt, dat wordt “de weemoedige held”; in het Frans lukt dat niet, het verarmt tot “mélancolique héros”). Hoe zat het eigenlijk met de driehoeksverhouding Shakespeare, Guglielmo (jawel, ook William) Da Spiri, en zijn zus, de fiktieve “dark lady” Ornella ? Sente trekt de lijn door in een even dubbelzinnige vader-zoon verhouding. De uittekening van de verlopen rijkeluiszoon Oscar is bewust androgyn gehouden. Het laat Juillard toe om tweeslachtige silhouetten in te brengen of een ondefineerbaar oog dat door een spionnetje loert – de gelijkenis met de wantrouwige blik van Septimus in Het Gele Teken is treffend. Oscar leidt een boevenbende, de Teddy's. Zij hebben het gemunt op welstellende burgers die ze liefst in een park overvallen en neermeppen met wandelstokken die een dierenkop als knop hebben (een doorzichtige verwijzing naar het album van Jacques Martin in de Alex-reeks, De Zwarte Klauw; het hele verhaal is doorspekt met binnenpretjes en verwijzingen naar ander stripwerk). De wellustige leider van het gediefte is gekonterfeit naar John Lennon en Yoko Ono, met zwart lang haar en een ronde zonnebril, ook bij nacht. Er is nog meer. Speelde de loge een rol bij de bitse strijd tussen de (onbestaande) “William Shakespeare Defenders Society” en Oxford, dat zijn 17e graaf Edward de Vere naar voren schuift als schepper van de beroemde toneelstukken ? Ik zal de kroon niet ontbloten, maar dat de dubbelzinnigheid groeit met de oorspronkelijke spelling van de naam staat vast: als Shak-Speare bij de uitgave van King Lear in 1608 (oorspronkelijk een overgeleverde legende The True Chronicle History of King Leir, and His Three Daughters, Gonorill, Ragan and Cordella, 1605) en als Shake-Speares Sonnets in 1609. Later wordt de naam aan elkaar geschreven.

 

Het scenario wordt een kluwen van fantapolitica en gedurfde veronderstellingen. Er zitten geen losse eindjes in, Sente beheerst de intrige wonderwel. Het enige – en nefaste – nadeel is dat hij Jacobs in zijn jeugdjaren al “bijna een echt boek” vond, en dat nu zelf schrijft met illustraties van Juillard, zonder enige noodzakelijke tekening erbij. Tenzij voor de sfeer en de setting, want het “is aangewezen om nieuwe dekors te vinden, die nog nooit gebruikt werden”. Dat is nu Noord-Oost-Italië geworden, de regio's Veneto en Emilia Romagna. Heel dantesk, want zowel Ravenna als Verona spelen een grote rol in de ontsleuteling van de zoektocht naar Shakespeares laatste manuskript. Dat heeft in werkelijkheid echt bestaan, het was waarschijnlijk Carderio naar Don Quijote, een verloren gegaan stuk dat de King's Men in 1613 speelden. Sente is daar voorzichtiger in, hij houdt het bij een onafgewerkte synopsis in drie bedrijven van Liefde en Andere Eerzucht.

 

Maar je moet beide historici toch nageven dat ze hun voorwerk voorbeeldig hebben gedaan; dat mocht ook wel want Het Testament van William S. is uitgebracht in het jaar van de 400e sterfdag van Shakespeare. Tot op het belerende af zelfs. De verwijzingen naar Romeo en Julia gaan vlotjes over naar die van Hamlet, in zijn oorspronkelijke vorm dan nog. Want je moet al een filoloog zijn om te weten dat “de Noordse verhalen over koning Horvendill, die vermoord werd door zijn broer Feng” uit Saxo Grammaticus' Gesta Danorum komen. De dappere Horvendill kreeg van koning Rörik zijn dochter Gerutha ten huwelijk. Ze werden de ouders van de zich krankzinnig voordoende Amleth, die alleen zo kan ontsnappen aan de moordenaar van zijn vader, Feng, en door bedrog de nieuwe echtgenoot van zijn moeder.

 

Ook geografisch zijn de beelden korrekt. Sleutel twee voert Mortimer naar Verona (waar het balkon van de tortelduifjes nog altijd staat en de borsten van Julia's standbeeld op het binnenpleintje van de Casa di Giulietta glimmend schitteren van al dat volk dat er even over wil aaien). Het antieke theater, de “Arena van Verona”, is er in ere hersteld voor allerhande muziekfestijnen, ook opera tijdens het jaarlijkse festival in de grote vakantiemaanden – al heeft Sente er geen weet van dat de Fondazione Arena in april vorig jaar bankroet is verklaard, de laatste direkteur Girondini ontslagen werd vanwege korruptie en vriendjespolitiek, en een put van 25 miljoen euro is achtergelaten; ik heb ook geen enkele opera-opvoering op 31 augustus 2016 gezien. Net zo min ben ik er zeker van (Jacobs indachtig) dat het lage tulpglas voor “een verrukkelijke Bardolino Superiore” toen al standaard was in de Osteria del Lago waar Mortimer en Elisabeth overnachten. (Ik ken maar één restaurant-hotel in die buurt, in Bardolino zelf, maar dat is vlakbij het Gardameer, en ik dacht dat Mortimer terugreed naar Venetië, oostwaarts dus). Sleutel drie brengt Mortimer naar Ravenna, naar de basiliek San Francesco, waar in de zijtuin het graf van Dante ligt, overwoekerd en wel, maar rustig en vlakbij het museum dat aan hem gewijd is. De lichtinval is in de kerk veel sterker dan in werkelijkheid.

 

Grondige voorbereiding staat evenwel niet borg voor hoge kwaliteit. Het geduld dat Jacobs opbracht kan door de publikatiedruk van vandaag niet overgedaan worden. Anderzijds moet gezegd dat de vertaling uit het Frans degelijk is, en geen grove taalfouten meer bevat. Dat is wel het geval in de (bewust intakt gehouden) uitgave van het oude Gele Teken. De slordigheid waarmee destijds (1956, nog voor de Expo) met het Nederlands werd omgesprongen is hartverscheurend. Al op plank zes wil de vertaler ons van onze sokken blazen met een verwijzing naar wat hij de cingulargyrus noemt. Het gaat natuurlijk om een wetenschappelijke studie van Septimus, Over de Kwaadaardige Rol van de Cellulaire Influx uit de Cingular Gyrus. Bedoeld wordt de gyrus cinguli, in gewoon Nederlands de gordelwinding. Die ligt in witte vezels om de hersenbalk. Het is een stuk oogverblinding van Jacobs, die terugvalt op de herseneksperimenten van de wat maffe geleerde uit Curd Siodmaks Donovan's Brain (1942, in het Frans pas vertaald in 1949; het boek werd verfilmd in 1953). Een ernstige wetenschapper tracht hersenen levend te houden, eerst van een aap, dan van een verongelukte miljonair. Dat laatste lukt, zeer te zijner detrimente: het brein van de gevoelloze, despotische rijkaard neemt de kontrole over van de hersenen van de wetenschapper.

 

Het is geen nieuw thema natuurlijk, de willoosheid van patiënten uit een asiel, tot ze zelfs moorden plegen. Jacobs kende het al uit de film Das Cabinet des Dr. Caligari (1920, Robert Wiene). Het literaire oervoorbeeld komt van de Russische dissident Michail Boelgakov, die in Собачье сердце (1925, Hondehart) de uitwassen van bolsjevistische bemoeizucht hekelt door een geleerde de hersenen van een misdadiger te laten inplanten in een straathond. De hond krijgt, zoals later de varkens in Orwells Animal Farm, brutale, onfatsoenlijke en nijdige menselijke trekken, en terroriseert als “de nieuwe mens” van de Sovjets zijn hele omgeving. Alleen een omgekeerde operatie kan een oplossing bieden. Dat is precies wat Jacobs doet met het proefkonijn Olrik en zijn meester Septimus. Als de aartsschurk door een bezwering die Mortimer zich herinnert uit Het Geheim van de Grote Piramide opnieuw tot zijn angstige zelf komt, ontstaat een pandemonium. In een schietpartij raakt Septimus de telecefaloskoop die de hersenen vanop afstand stuurt, en Olrik neemt wraak door zijn meester te vernietigen met zijn eigen energie, de bolbliksem.

 

Er is veel gespekuleerd over het opzoekwerk van Jacobs, en Daniel Couvreur houdt vol dat hij zijn inspiratie opdeed in het populair-wetenschappelijk tijdschrift Science et Vie. “Il avait extrapolé les propriétés de l'Onde Méga à partir des études du professeur Garbedian sur le surhomme”. Ik heb de moeite gedaan heel het archief van Science et Vie uit te spitten, maar geen Garbedian gevonden. De eerste plaat van Het Gele Teken verscheen op 6 augustus 1953, dat is de grens post quem. De enige rechtstreekse band tussen blad en tekenaar is een speciaalnummer (17) dat lang na de dood van Jacobs verscheen, met het teken van Mu op de voorflap. Het verscheen in november 2003 ter gelegenheid van de grote tentoonstelling die in Parijs aan Jacobs werd gewijd in het Musée de l'Homme. Het bevat een vijftiental bijdragen over de letterkundige en filmische invloeden, en over allerlei kernthema's die in de strips aan bod komen: de atoomenergie, de dinosaurussen, tijdreizen, robotika, klonen, hersenkontrole, wapenontwikkeling, zelfs de rol van de vrouw.

 

Maar dat is een retrospektieve. Jacobs kan alleen maar ideeën hebben opgedaan in een vijftal artikels die ik heb teruggevonden over herseneksperimenten: “Que savons-nous des Ondes Electriques qu'émettent nos Cerveaux ?” in nr. 243 van september 1937; “Les Ondes Electriques du Cerveau Humain livrent leurs Secrets”, nr. 266, augustus 1939; “Le Cerveau Electrique”, nr. 389, februari 1950; “Les Cerveaux Electriques”, nr. 394, juli 1950; en “Le Cybernétique compare les Hommes et les Robots”, nr. 397, oktober 1950. Een artikel uit 1953 (“L'Electricité aide a pénétrer les secrets du Cerveau”) heeft allicht geen invloed meer gehad op het scenario, omdat het pas verscheen in september. Maar geen spoor van Garbedian.

 

Haig Gordon Garbedian is een thans volkomen vergeten wetenschapshistorikus die in de jaren dertig al overzichtsvraagstukken lanceerde als Major Mysteries of Science (1933) en The March of Science (1936). Hij schreef ook wetenschappelijke biografieën over Einstein, Westinghouse en Edison, die vooral in het Zweedse en Spaanse taalgebied invloed hadden. Dat Jacobs weet van hem had, zou dan eerder blijken uit een stuk van Garbedian op 1 juli 1947 in het zesde nummer van Science pour Tous, “La Science peut-elle produire un Surhomme ?”. De verleiding is groot de wijsgeer Nietzsche en vooral de patafysikus Alfred Jarry (Le Surmâle, 1901) in het onderzoek te betrekken, maar dat laat ik hier buiten beschouwing. Ik wil me niet vermeien met loze suggesties als zou, bij voorbeeld, de naam Olrik voor een stuk teruggaan op Lawrence Olivier, wiens initialen Jacobs zou gebruikt hebben volgens Daubert. “Il faut aussi voir chez Olrik le goût du risque et la théâtralité de Lawrence Olivier, l'acteur shakespearien d'Hamlet et de Richard III, auquel le colonel doit les deux premières lettres de son prénom”. Zo'n spagaat lijkt me lichtelijk overspannen. Dan liever dat Jacobs zelfs het werk van de Amerikaanse neuroloog en de Britse chirurg Sir Wylie McKissock, die duizenden operaties uitvoerden tussen 1936 en begin jaren '50, over lobotomie heeft geraadpleegd.

 

Soms denk ik dat de Brusselaars in de jaren vijftig een stuk van hun taalvermogen waren kwijtgespeeld door een erfelijke tekortkoming. Het stemt me mild om dat aandoenlijk krampachtige on-Nederlands te lezen in de heruitgave van Het Gele Teken. Het aantal dt-fouten is niet bij te houden, vreemde zinnen als “ja, ik begrijp” (plank 9), “Vernay werd opgelicht” (plank 8), “zolang je buiten in de lucht bent” (plaat 32), “zou ik raden” (plank 48) zijn schering en inslag. Ach, wilde verbeelding doet zich schijnbaar makkelijker voor in de filologie dan in de wetenschap die wat rigoereuzer te werk moet gaan. Het verklaart allicht waarom bibliotekarissen en archivarissen vaak een doorslaggevende rol spelen in het oeuvre van Jacobs. Zoals in Het Gele Teken, als de archivaris van de Daily Mail het verloren gewaande boek van dr. Wade, The Mega Wave, heeft opgediept en aan Mortimer bezorgt.

 

Tekst, het libretto, is het wezen van het raadsel. Jacobs werkte elk libretto uit tot een echt skript. Sente & Juillard zijn aan het andere eind begonnen. Ze schreven een volledige tekst uit en voegden er dan beelden aan toe. Onfilmisch. In een strip weegt de ballon altijd lichter dan de tekening. Het cerebrale ontstijgt als het ware de aktie. Daar ligt de mislukking om Jacobs nieuw bloed en een nieuwe geest te geven. Maar het blijft een spannende hoax.

 

 

Bibliografie:

 

  • Yves Sente & André Juillard, Het Testament van William S. Brussel, Uitgeverij Blake & Mortimer (Dargaud-Lombard) 2016.

  • Edgar P. Jacobs, Het Gele Teken zoals Verschenen in Kuifje-Magazine. Brussel, Uitgeverij Blake & Mortimer (Dargaud-Lombard) 2016.

  • Edgar P. Jacobs, La Marque Jaune. Brussel, Lombard 1970.

  • Edgar P. Jacobs, Het Gele Teken. Brussel, Uitgeverij Blake & Mortimer 1987.

  • Kollektief, Les Personnages de Blake et Mortimer dans l'Histoire. Brussel, Historia & La Libre Belgique/DH/Les Sports 2014.

  • Didier Convard & André Juillard, Het Gedroomde Avontuur. Brussel, Uitgeverij Blake & Mortimer (Dargaud-Lombard) 2014.

  • Edgar P. Jacobs, Un Opéra de Papier. Les Mémoires de Blake et Mortimer. Parijs, Gallimard 1981.

  • Gérard Lenne, L'Affaire Jacobs. Parijs, Megawave 1990.

  • Benoît Mouchard & François Rivière, La Damnation d'Edgar P. Jacobs. Parijs, Le Seuil 2003.

  • René Nouailhat, Olrik ou le Secret du Mystère Jacobs. Saint-Egrève, Mosquito 2014.

 

 

 

 

 

 

 

 

00:00 Gepost in BOEKEN, gasten | Permalink | Commentaren (0) | Tags: lukas de vos

Post een commentaar

NB: commentaren worden gemodereerd op deze weblog.