Blogs cinebel.be
cinebel.be | Créer un Blog | Avertir le modérateur

09-05-17

Extaze 21 – Literatuur die het podium betreedt

VoorplatExtaze21-72-212x300.jpg


Extaze 21 – Literatuur die het podium betreedt 

Redactie Cor Gout


zesde jaargang nr. 1, 2017
Gebrocheerd, geïllustreerd, 96 blz.,
€ 15,00
ISBN 978-90-6265-955-5

Uitgeverij In de Knipscheer

 

 

 

 2017

Uit na zijn dood gepubliceerde dagboekaantekeningen, brieven en getuigenissen van vrienden kan je afleiden dat de oorlog het door God, keizer samengehouden wereldbeeld van de jonge Btecht uit elkaar heeft doen spatten. De leegte die daardoor ontstond probeerde hij op te vullen mrt een vitalistisch, nihilostisch en bij momenten livertijns gedachtengoed en een ongebondel levenswandel.

 

 

 

Extaze is een literair kwartaalschrift, gemaakt door een Haagse redactie maar bestemd voor heel Nederland en België. Het wordt samengesteld uit literair en beeldend werk van Nederlandse en Belgische schrijvers en kunstenaars. De afzonderlijke nummers van Extaze zijn niet strikt thematisch geordend, maar enige samenhang tussen de bijeengebrachte stukken is er wel. Het karakter van het nummer wordt versterkt door het werk van een beeldend kunstenaar. Literaire inhoud, beeldend werk en vormgeving zijn nauw met elkaar verbonden.

Literatuur komt niet alleen tot ons in geschrifte. We horen literatuur op uiteenlopende podia: waar revues of musicals worden uitgevoerd, waar muziektheater te zien en te horen is, waar cabaretiers en podiumdichters hun zegje doen, waar zangers teksten zingen die bedoeld zijn om er goed naar te luisteren. En in dit nummer van Extase, editie 21 al, wordt daar volop aandacht aan besteed.

(Tekst)dichter Nico van Apeldoorn ontmoet op passionele wijze, zijn collega Lennaert Nijgh (1945–2002) in diens songteksten. De doorbraak van Nijgh begon toen platenmaatschappij Philips de single Een meisje van 16 uitbracht, een bewerking van Charles Aznavour's ballade Une enfant (de seize ans), gezongen door Boudewijn de Groot. De eerste samenwerking van Nijgh met De Groot was in een 8mm-filmpje dat Nijgh maakte en waarin De Groot twee liedjes zong. Nieuwslezer Ed Lautenslager was onder de indruk van die liedjes, zag een toekomst in Nijgh en De Groot als liedjesschrijvend duo en bracht hen in contact met platenmaatschappij Phonogram.

 

Dat De Groot in de jaren zestig kon uitgroeien tot protestzanger en troubadour van de flowerpower had hij mede te danken aan de teksten van Nijgh. Hun eerste hit was Een meisje van 16. De tweede, Welterusten, meneer de president, vestigde de naam van De Groot als protestzanger.

 

De teksten die Nijgh schreef, ervoer De Groot eind jaren zestig als steeds minder passend bij zijn imago. Voordat het in 1968 tot een breuk kwam, maakten ze nog grote hits als Het Land van Maas en Waal (met als B-kant Testament) en Prikkebeen. In 1973 werd de samenwerking weer hervat met de LP Hoe sterk is de eenzame fietser. Het album werd een groot succes.

Cabaretier Fred Florusse herkent het poëtische talent van de komiek Johan Buziau (1877–1958). In 1914 werd hij door Henri ter Hall gevraagd te komen optreden in de revue Pas d'r op; hij werd hierdoor een revueartiest in plaats van variétéartiest. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog beperkte hij zich noodgedwongen tot Nederland, waar hij vanaf 1914 de publiekstrekker voor het Eerste Nederlandse Revue Gezelschap van Henri ter Hall werd. De Ter Hall Revue werd in 1928 opgeheven omdat de Bouwmeester's Revue veel populairder was. Buziau trad in dienst bij Louis Bouwmeester jr. en van 1928 tot 1942 vervulde hij dezelfde rol voor de Bouwmeester's Revue. Buziau was in de periode tussen de beide wereldoorlogen als clown onbetwist Nederlands populairste komiek.

Zijn humor stoelde op zijn wit geschminkte gezicht, een perfecte timing en droge opmerkingen, zonder banaal of dubbelzinnig te zijn.

 

Historicus Dick Brongers neemt de lezer mee naar de revue tijdens en rond de Tweede Wereldoorlog en weegt de teksten die de artiesten in die periode ten gehore brachten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden artiesten vaak ongewild de aangevers van verzetsreacties door het publiek. Van Buziau werden toespelingen verwacht en het publiek applaudisseerde dankbaar voor elk dubbelzinnig woord. Beroemd werd zijn uitspraak: "Vroeger hadden we het goed, maar nu hebben we het beter... 't Is te hopen dat we het weer goed krijgen...". In een andere voorstelling kwam Buziau met een enorm portret het podium op lopen, waarna hij zei: "Ik kreeg een portret van oom Herman, maar nou weet ik niet wat ik ermee moet doen. Ophangen of tegen de muur zetten?" (een verwijzing naar de gehate Luftwaffeleider Herman Göring).

In mei 1942 werd Buziau, evenals vele andere populaire Nederlandse artiesten, door de Duitse bezetters gedetineerd in het gijzelaarskamp in Haaren. Hij werd alweer snel vrijgelaten: een Haagse relatie had functionarissen omgekocht. Hij trad na die tijd nooit meer op, omdat de gebeurtenissen hem te diep hadden geraakt. Wel maakte vanaf 1943 een van zijn navolgers furore met een Buziau-imitatie: Toon Hermans. Deze zou later uitgroeien tot een van de grote drie van het naoorlogse Nederlandse cabaret. Ook de andere twee leden van dat trio, Wim Sonneveld en Wim Kan, lieten later meer dan eens weten dat ze Buziau als een van hun grootste voorbeelden beschouwden.

Vanaf 1931 was Lou Bandy de publiekstrekker voor het revuegezelschap De Nationale Revue dat hij in 1939 verruilde voor Jong Nederland. Al die tijd was zijn strohoed zijn handelsmerk. Verder stond hij bekend om de goocheme kwinkslagen die hij tussen de liedjes door maakte. Hij improviseerde vaak en wist – als een stand-upcomedian avant la lettre – vaak de lachers op zijn hand te krijgen. Grove teksten schuwde hij daarbij niet. Een mevrouw die te laat binnenkwam begroette hij met de volgende woorden: "Hé Marie, leuk dat je ook komt, Ik had je met kleren aan niet zo gauw herkend."

 

Als artiest was Lou Bandy veelzijdig. Maar bovenal was Bandy een revue-artiest. In 1939 had hij een succes met het liedje Rats, kuch en bonen.

 

Wat zijn opstelling in de oorlogsjaren is geweest blijft onduidelijk. Begin 1941 nam Bandy zitting in een adviesraad voor de vakgroep Kleinkunst, die moest adviseren over een door de Duitsers ingesteld instituut, de Kultuurkamer. Deze actie werd Bandy kwalijk genomen. Waarschijnlijk had hij zich in zijn onnozelheid hiermee ingelaten, want tijdens zijn optredens liet hij van zijn anti-Duitse gevoelens blijken door het zingen van vaderlandslievende liedjes.

 

In 1942 werd Bandy wegens anti-Duitse provocatie gearresteerd. Hij had namelijk tijdens een optreden het manke loopje van Seyss-Inquart geïmiteerd. Tussen het publiek aanwezige NSB'ers meldden het voorval aan de bezetter. Hij bracht een nacht door in de gevangenis van Scheveningen en werd later overgebracht en geïnterneerd in een gijzelaarskamp in Haaren. Door een hartkwaal te simuleren kwam hij vrij. Hij schreef bovendien een onderdanige brief aan de bezetter met het verzoek om weer te mogen optreden.

Korte tijd later werd hij opnieuw gearresteerd en overgebracht naar een gijzelaarskamp. Daar deed hij een zelfmoordpoging. Na verpleging kwam hij rond Kerstmis 1942 weer thuis. Hij kreeg huisarrest en moest in Doorn blijven. Hierdoor trad hij tijdens de resterende oorlogsjaren niet meer op.

Didi de Paris erkent de schatplicht van zijn (en veler) podiumdichterschap aan de Antwerpse dichter Gust Gils (1924–2002).

Gust Gils trad in 1966 op tijdens de manifestatie Poëzie in Carré georganiseerd door de inmiddels ook al weer overleden Simon Vinkenoog. Hij was een Antwerps dichter, één van de oprichters van het avant-gardetijdschrift Gard Sivik (1954). Verder was hij redacteur van Podium.

Zijn werken zijn verschenen in de absurdistische bundels Paraproza en de verzamelbundels Afschuwelijke roze yogurtman (1972) en Mijn plichtvergeten werk (1994).

Hij was bediende maar hield zich in de marge bezig met allerlei kunstvormen. Op jonge leeftijd maakte de Antwerpenaar reeds tekeningen, schilderijen, monotypes, droge naalden, gravures, lino's en houtsneden. Aan het begin van de jaren vijftig begon Gils te beeldhouwen, hoofdzakelijk met hout. In diezelfde periode begon hij zijn eerste gedichten te schrijven.

Het poëtisch oeuvre van Gils wordt gekenmerkt door een sterke muzikale invloed (zie de titels van enkele dichtbundels die het woord "partituur" bevatten). De dichter beweerde zelf dat zijn poëzie een "auditief" karakter had. Gils hoorde zijn gedichten en vond dat die ook vooral hardop gelezen moeten worden. Belangrijk daarbij is niet zozeer de welluidendheid van het vers, als wel het ritme. Later zou Gils de schemerzone tussen poëzie en muziek verder verkennen in zogenaamde "verbosonische" experimenten.

In zijn essay ‘Bertold Brecht en de Eerste Wereldoorlog’ vermeldt Wim Michiel dat Brecht (1898–1956) al vroeg in zijn carrière de behoefte voelde om zijn teksten ook op het podium te (laten) vertolken.

De soldaten, waar Duitsland zo trots op is, noemt Brecht hersenloos kanonnenvlees ("Hohlköpfe") geleid door oorlogspropaganda. Brecht ziet er niets moois aan om te sterven voor volk en vaderland, zoals de jonge soldaten wordt voorgehouden.

Na de middelbare school kiest Brecht aanvankelijk voor een totaal andere carrière. In 1917 gaat hij natuurkunde, medicijnen en literatuur studeren aan de Ludwig Maximilians-Universiteit in München. Al na één jaar moet hij zijn studies afbreken om te dienen in het leger: hij moet dienstdoen als verpleger in een Augsburgs lazaret. De Eerste Wereldoorlog is een traumatische ervaring voor Brecht, die helemaal niets voelt voor geweld of een eredood. De thematiek van mensen die zomaar beslissen over het leven van anderen, zal later regelmatig terugkomen in zijn werk. Na de oorlog keert hij niet terug naar de universiteit. Brecht is vast van plan van de wereld een betere plek te maken, een plek met meer harmonie en naastenliefde. Theater lijkt hem daar – gegeven zijn talenten – de beste plaats voor.

 

In 1920 sluit Bertolt Brecht vriendschap met de in die tijd bekende Duitse cabaretier Karl Valentin. Vanaf die tijd reist Brecht regelmatig van Augsburg naar Berlijn om een netwerk in de toneelwereld op te bouwen. In 1924 verhuizen de Brechts naar Berlijn, in die tijd het culturele middelpunt van Europa. Al direct in dat jaar regisseert hij zijn eerste stuk in het Max Reinhardt Theater. De tweede helft van de jaren twintig kunnen we zien als de periode van politieke bewustwording van Brecht. Hoewel hij nooit lid zal worden van enige partij, wordt hij gegrepen door het communisme. Zijn werk komt meer en meer in het teken van de politiek staan. In diezelfde periode (vanaf 1926) ontwikkelt Brecht zich richting het episch theater, een vorm van theater waarin een vertelling centraal staat.

Korte verhalen van Gert-Jan van den Bemd, Chris Ceustermans, Kristien De Wolf, Hans Depelchin, Luuk Imhann, Heidi Koren, Liedewij Vogelzang, Theo van der Wacht. Gedichten van Naomi Duveen, Dorien Dijkhuis, Els de Groen, Hanz Mirck, J.V. Neylen. Dichter en illustrator Lies Van Gasse zorgt voor prachtig beeldend werk.

Weer een heerlijk extazenummer met een diversiteit aan literaire delicatessen.

André Oyen

 

19:28 Gepost in BOEKEN, Poëzie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.