Blogs cinebel.be
cinebel.be | Créer un Blog | Avertir le modérateur

29-05-16

Extaze 17/18 – Water-Zee

coverE17-18.jpg


 

Extaze 17/18 – Water-Zee

vijfde jaargang nr. 1/2

Genaaid gebrocheerd, geïllustreerd, 168 blz.

29,50

Presentatie 14 april 2016

ISBN 978-90-6265-912-8

Uitgeverij In de Knipscheer

Hij had het land waarvoor hij scheep ging lief, /

Lief, als een vrouw 't verborgen komende./

Er diep aan denkend stond hij dromende/

Voor op de plecht en als de boeg zich hief/

Uit de ontdekker

J. Slauerhoff

Extaze is een literair kwartaalschrift gemaakt door een Haagse redactie maar bestemd voor heel Nederland en België. Het wordt samengesteld uit literair(verhaal, gedicht, essay) en beeldend werk van Nederlandse en Belgische schrijvers en kunstenaars. De naam ‘Extaze’ biedt niet alleen een aantrekkelijk woordbeeld en een fraai bouquet aan betekenissen, maar verwijst ook rechtstreeks naar de titel van een korte Haagse roman van Louis Couperus.

En net zoals Couperus’ teksten vele lezers ook nu nog vele lezers prikkelen door hun woordkunst blijft de lezer in vervoering brengen, zo tracht ook de redactie van dit prachtig literair tijdschrift verrukking en verwondering op te roepen door de kracht van het woord en de verbeelding. En deze pogingen van de Extaze-redactie levert telkens een boekwerk af dat je heel gulzig proeft en waardeert. Zwakke nummers ben ik persoonlijk nog niet tegengekomen,maar de absolute hoogvlieger was toch wel het Frans Kellendonknummer dat een huiveringwekkend mooi literair eerbetoon was.

Extaze 17/18 is uitzonderlijk een dubbelnummer waarin Water-Zee duidelijk dominant aanwezig, zowel in essay, kortverhaal als gedicht. Er wordt gemijmerd en gefilosofeerd over diverse items gaande van het zeemanslied van de Deense Lale Andersen tot de poëzie van Slauerhoff met immer en altijd water/en of zee op de achtergrond.

Zo volgt bijvoorbeeld René ten Bos Peter Trawney en François Jullien in hun visie dat het water zich op bijzondere wijze tot intimiteit verhoudt en dat de ervaring van intimiteit bij twee mensen er een van indifferentie is, dat wil zeggen dat in hun relatie de verschillen doorlatend (vloeiend) zijn geworden. Marcel Poorthuis doet een diepgaande analyse van de stelling van de voorsocratische denker Thales van Milete dat water aan alles ten grondslag ligt. De verbondenheid van de mens met de wereld vanuit een soort oerprincipe impliceert een deelname aan de geschiedenis vanuit verantwoordelijkheid. Ad Zuiderent toont aan hoe belangrijk de rol van de zee en het strand is in het werk van Gerrit Krol, hoe ze de motor van zijn gedachten vormen, concreet en abstract. Jan Jacob Slauerhoff (Leeuwarden, 15 september 1898 - Hilversum, 5 oktober 1936) werd geboren als vijfde van zes kinderen in een protestants middenstandsmilieu in Leeuwarden. Slauerhoff ging naar de HBS in Leeuwarden. In 1916 verhuisde hij naar Amsterdam om geneeskunde te gaan studeren. Slauerhoff nam niet deel aan het conventionele studentenleven, maar verkoos een bohemien-achtige, afstandelijke positie, gemodelleerd naar zijn helden, de Franse symbolistische dichters Baudelaire, Verlaine, Corbière en Rimbaud.

Vanaf 1921 begon Slauerhoff zijn eerste "serieuze" gedichten te publiceren in het literaire tijdschrift Het Getij. Zijn eerste dichtbundel, Archipel, volgde in 1923.

Doordat Slauerhoff zijn eigen gang was gegaan buiten het gangbare studentenleven, had hij nauwelijks vrienden in de besloten kringen van geneeskundigen. Daardoor was het voor hem moeilijk een behoorlijke medische aanstelling te krijgen in Nederland. Hij besloot daarom aan te monsteren als scheepsarts bij een rederij die op Nederlands-Indië voer. Zijn zwakke gezondheid speelde hem meteen parten: op zijn eerste reis kreeg hij last van een maagbloeding en astma-aanvallen. In 1928 ging Slauerhoff varen voor de Koninklijke Hollandsche Lloyd en maakte een aantal reizen naar Latijns-Amerika. Zijn gezondheid ging er iets op vooruit en zijn literaire productie nam evenredig toe. Tot 1930 publiceerde hij zes gedichten- en twee verhalenbundels. Dit was mede te danken aan een van zijn vrienden, de schrijver en literatuurcriticus E. du Perron. Die hielp hem in 1929, toen Slauerhoff enige tijd verbleef in het Belgische landhuis van de Du Perrons, met het sorteren, corrigeren en bundelen van de grote hoeveelheid teksten. Hij stierf op 5 oktober, kort na zijn 38e verjaardag en drie maanden na de publicatie van zijn laatste dichtbundel, Een eerlijk zeemansgraf. Hij is gecremeerd in het crematorium van begraafplaats Westerveld in Driehuis.

Slauerhoffs werk werd na zijn dood alleen maar bekender. Enkele maanden na zijn overlijden vormde een aantal vrienden en bewonderaars van de dichter een commissie die zich zou ontfermen over zijn literaire nalatenschap. Hoofddoel was het tot stand brengen van een verzameld werk. Het eerste deel verscheen in 1941. Er kwamen in de decennia die volgden nog talloze edities op de markt. Slauerhoffs werk wordt nog altijd veel gelezen. Arie Pos maakt in zijn schitterend essay over J. Slauerhoff duidelijk dat een groot deel van diens werk onverbrekelijk verbonden is met zijn zwerflust en zijn fascinatie voor de zee. In de rubriek ‘archief’ gedichten van Bernardo Ashetu, ingeleid door Klaas de Groot en gedichten van J. Slauerhoff. Bernardo Ashetu werd geboren in Kasabaholo aan de rand van Paramaribo als zoon van een geneesheer . Hij bracht zijn jeugd vooral in Suriname door en een groot deel van zijn latere leven als scheepsmarconist in de Caraïbische wateren. Hij debuteerde in de reeks Antilliaanse Cahiers van De Bezige Bij met de omvangrijke bundel Yanacuna (1962), ingeleid door Cola Debrot, waarin behalve gedichten ook enkele korte poëtisch getoonzette prozastukjes staan, die mogelijk als prozagedicht zijn op te vatten. Hoewel hij debuteerde in een tijd toen vele dichters zich voor het eerst presenteerden, onttrekt zijn in het Nederlands geschreven poëzie zich aan de toon en de dichterlijke objecten van die dagen (in het bijzonder aan de maatschappelijk bewogen strijdpoëzie). Hij schrijft gevoelige verzen, fijnzinnig observerend hoe droom en werkelijkheid uit elkaar groeien (hij had een enorm problematische relatie met zijn vader) en uiteindelijk slechts droefenis overblijft voor ontheemden overal ter wereld.

Lang na zijn overlijden begonnen zijn gedichten te verschijnen in de Spiegel van de Surinaamse poëzie (1995) en in tijdschriften als Dietsche Warande & Belfort, Bzzlletin, Poëziekrant en De Tweede Ronde. In 2002 kwam er een nieuw bundeltje van hem uit in Paramaribo: Marcel en andere gedichten. In 2007 verscheen in Nederland een keuze uit zijn werk gemaakt door Gerrit Komrij onder de titel Dat ik zong. Later dat jaar verscheen een bibliofiele editie van zijn gedicht Indiaans (zie Werkgroep Caraïbische Letteren).

Verder zijn er korte verhalen van Kolja Aertgeest, Mark Baltser, Tim Dankers, Bram Esser, Hein van der Hoeven, Wim Hofman, Christien Kok, Felix Monter, Wim Noordhoek, Christian Oerlemans en Rob Verschuren. Gedichten van Felix Monter, Herman Rohaert, Brigitte Spiegeler, Harry Vaandrager, Gerrit Vennema, Theo van der Wacht en Miek Zwamborn. Het beeld waar naar goeder gewoonte ook de nodige zog wordt aan besteed is in dit nummer van Ronnie Krepel.

Een nummer dat je literaire vleugels kan geven om je vakantie aan zee of in het water het nodige aroma te geven.

André Oyen

 

22:53 Gepost in BOEKEN, Poëzie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.