Blogs cinebel.be
cinebel.be | Créer un Blog | Avertir le modérateur

09-04-16

Morgenster Wim Menheer,

9789086603022 (1).jpg


KRIJT DE POMERANS

 

Wim Menheer, Morgenster. Arnhem, Ellessy 2016, 227 blz.

 

 

Aandoenlijk hoe sommige, vaak oudere auteurs, toch blijven doorgaan om zich een naam te verwerven, al leren ze nauwelijks van hun fouten. Dat blijft het geval voor Wim Menheer (°1937) die de knepen van het thrillervak wel onder de knie heeft (zie mijn recensie van zijn vorige boek, In het Oog van de Lens), dialogen kan schrijven, maar van gewone taal een zootje maakt. Slordigheid of onkunde ? Zijn nieuwe uitgever, Ellessy, heeft in elk geval geen eindredaktie gedaan – het is dan ook een eenmansbedrijfje, dat vooral uitblinkt door hoeveelheid, en door misdaadschrijvers die elders geen onderdak vinden – genre Gerry Sajet, Herman Vemde, Jacob Vis, Gerard Nanne, Martin Koomen, John Brosens. Nooit van gehoord, zegt u ? Ik evenmin. Maar dat mag geen beletsel zijn.

 

Ik had wel meteen problemen met de voorflap. De toren van de Antwerpse katedraal, en daarvoor een zwaaiende strijdvlegel. Let wel, een strijdvlegel, geen goedendag, en zeker geen morgenster, wat de titel ook mag beweren. Een strijdvlegel is een gepinde ijzeren bol die met een ketting vasthangt aan een stok, een typisch middeleeuws vechtwapen van ridders te paard. Een morgenster (soms onterecht een gesel genoemd) is iets heel anders. Het is een soort knots, met bovenaan een verdikking waardoor lange spijkers zijn geslagen. Het wapen werd bedacht om de bijbel te omzeilen die voorspelde dat wie het zwaard gebruikt door het zwaard zal vergaan. Monniken, priesters, kloosterlingen hielden zich nauwgezet aan de instrukties van de heer, maar vonden het toch niet dwaas zich tegen beurzensnijders of rabauwen te verdedigen. En dus werd de 'Ster van Betlehem' bedacht, geen wapen dus, maar een bijbels symbool. Al pakte dat “ghecante pede met scerpe nagelen” even dodelijk uit voor wie er een mep van kreeg.

 

Laat ik aannemen dat het de ontwerper van de flap, Erik de Bruin, is ontgaan. Dan blijft ook de beschrijving van het wapen in gebreke: “Volgens mij was het wapen een bol aan een ketting. En dat verklaart een en ander”: de bloeduitstortingen op de lijken. Het hielp in het boek nochtans tot driemaal toe een slachtoffer naar de andere wereld. Komt de ontdekking bij van een ledepop waarop de dader zich heeft uitgeleefd: “In een hoek, aan de overzijde van het raam, stond het geraamte van een etalagepop. De pop had de kleur van reuzel en de romp was onderaan met ijzeren pinnen verbonden met een grondplaat die in de vloer was geslagen. Het hoofd van de pop was een zware, ijzeren bol met een pokdalig oppervlak van deuken en blutsen”. Sfeer kan Menheer oproepen. Een wat buitenissig plot bedenken ook. Want waarom worden drie mannen op korte tijd met dat rare wapen murw geslagen, en wordt een oog diep in de schedelpan gestoten met een keu (want al snel wordt blauw krijt ontdekt diep in de hersenen) ? Bestaat er een verband tussen de doden ? Een arme sloeber, een niet onbemiddelde boekhouder, en een Mechelaar godlof ? Wat heeft De Muze daarmee te maken, het kafee van Ferre Grignard, dat net op verplicht sluiten stond ?

 

Voor Menheers speurder Hans Pelsmaeckers is dat meer een gelegenheid om wat kennis over Antwerpen te debiteren dan om na te denken. Pelsmaeckers, toegegeven, is een alles behalve doordeweekse onderzoeker. Helaas begint daar het verhaal ook te verkreukelen, en wel om twee redenen. De eerste is de erg kunstmatige vervlechting van de moorden met de belabberde toestand waarin de Great Old zich bevindt. Laat nu toch Pelsmaeckers' zoon Kevin de aankomende ster van de oudste voetbalklub uit het land zijn, opgevrijd door Ajax, en belaagd door de harde supporterskern zodra dat uitlekt. Er lopen gehandicapte broers rond, Kevin heeft een ouder liefje in de klubkantine, Pelsmaeckers offert zijn huwelijk op voor de toekomst van zijn voetbalzoon (en vooral om zijn duistere nevenstapjes in het overspel en de dragqueensien en zijn werkverslaving te bevredigen), terwijl een uiteraard verblindende nieuwe inspektrice het team op de Oudaan dooreenschudt, en Hans' baas Marcel Rijnders even uiteraard de hete adem van “daarboven” in zijn nek voelt. Confused ? You will be, zeker als ook de voorzitter van “den Antwerp” nog vermoord wordt, en Pelsmaeckers geschorst wordt vanwege mishandeling van een vuile voetballer. Het is een ambitieuze opzet, een verhaal met zoveel rafelingen, waartussen dan ook nog de gebruikelijke ontboezemingen komen van de dader in het verborgene.

 

Toch lukt dat grotendeels. Alleen ondermijnt de tweede ingreep een flink stuk van de aanpak. Menheer wil absoluut (voor de geloofwaardige plaatselijke sfeerschepping) in het Antwerps schrijven, en dat werkt vreselijk irriterend. Er is een voorwoord (beter was dat achteraan gezet) toegevoegd waarin hij niet zonder enige ijdelheid opschept dat “Vlamingen die misdaadromans uitgeven bij een Nederlandse uitgeverij zeldzaam zijn. Het omgekeerde is, bij mijn weten, onbestaande”. Ik zal dan maar snel Eddy Bertin of Jef Geeraerts of Bart Holsters of John Vermeulen of Herman Brusselmans of Hilde Vandermeeren vergeten, en voor het omgekeerde mijn oude gabber Max Moragie (Bezettingsgeld, 2003; Dodemanschantage, 2004; Vals Gedacht, 2007; allemaal bij Manteau) of zeg ik beter Jeroen Kuypers, of Roel Thijssen of Peter Marx ? Ergerlijker is de mededeling, “het gebruik van Vlaamse voetnoten voor Nederlanders is allicht een primeur”. Zeker als, bv., de laatste voetnoot, nr. 70, “vergeetput” voor Hollanders verklaart als “oubliëtte” en “kerker”. En de kleine helft van de noten weinig vandoen heeft met het dialekt (dat “het verhaal vaart moet geven”; pardon ? – voor de Vlamingen: verschoning). Dat “woonst” woning is (noot 17) zal wel niemand verbazen. Wie Panamarenko (noot 69) niet kent of Kroniek van een Aangekondigde Dood (noot 25) niet verbindt met Gabriel Garcia Márquez, is gewoon een kultuurbarbaar, nationaliteit doet er niet toe. Wie politiekommissariaat (noot 41) niet kan duiden is amper geholpen met de verklaring “Belgische benaming voor een politieburo met kommissaris”. Wie “met vrucht” (noot 29) moedwillig of vunzig fout begrijpt kan alleen de schouders ophalen voor een uitleg als “kwotering voor een afgestudeerde”. Dan is het logischer dat noot 30 de Fransheidene Noorderburen helpt met een vertaling van “du jamais vu”. Om dan de Leien niet te omschrijven als “den Boulevard”, maar in noot 14 als “lanen of avenues”, gaat beter naar huis. Je moet ze boven de Moerdijk volgens Menheer zelfs uitleggen dat “keeskoppen” Hollanders zijn (noot 31). Ik heb ook niet opgeteld hoe vaak een woord verkeerd is afgebroken aan het eind van een regel of hoe vaak lidwoorden (zoals in “de pv”) en geslachten zondigen tegen de spraakkunst, maar het helpt in elk geval niet om “het verhaal vaart te geven”.

 

Wil dat nu zeggen dat Morgenster meteen de mestvaalt op moet ? Nee toch. Het is gewoon iets te hoog gegrepen om zo'n veelgelaagde plot om te smeden tot een beklijvend, soepel verhaal, dat geen deus ex machina nodig heeft om een schuldige te vinden. Een biljartkeu volstaat. En is al indrukwekkend genoeg: “'De betekenis van masséstoot is een voorwaartse kopstoot', vervolgde John, 'een stoot waarbij de keu in vrijwel vertikale stand op de speelbal neerkomt. Bovenaan. Met veel effekt tot gevolg'. 'Dat laatste kan ik in ons geval niet tegenspreken. Als de speelbal oogbal wordt'”. Voor dat soort moorden doe ik mijn hoed af. Als ten minste de pomerans degelijk met blauw aangekrijt is. Wel jammer van het obligate, zedige happy end.

 

Lukas De Vos

 

Commentaren

Ik weet niet of u het weet maar Jacob Vis, onder dak bij Ellessy, heeft dan wel de Diamanten Kogel gewonnen.

Gepost door: Ingrid | 10-06-16

De commentaren zijn gesloten.