Blogs cinebel.be
cinebel.be | Créer un Blog | Avertir le modérateur

21-02-16

Nausicaa Marbe wint de Diamanten Kogel prijs voor Smeergeld,

lukas de vos741c42481b33717ed384ad4a37c25b7ax200.jpg


SMERIG GELD

 

 

Ik kan de (zelf)ironie van de jury die de Diamanten Kogel toekent voor het beste Nederlandstalige spannende boek uit de Lage Landen wel waarderen. Al zal het ook wrang smaken. Dit jaar krijgt de Roemeens-Nederlandse columniste Nausicaa Marbe de prijs voor Smeergeld, een satirische thriller die over het misbruik van overheidsgeld en endemische korruptie gaat. Vorig jaar zat de Diamanten Kogel zelf in de rats. De uitreiking van de prijs zat in geldnood. Om een voor de hand liggende reden. Zijn vaste sponsor, de Antwerpse diamantair Serge Muller was zelf in vieze papieren geraakt. Grondlegger van de Diamanten Kogel, Henri-Floris Jespers (medestichter van het Arkkomitee van het Vrije Woord), voelde meteen nattigheid toen Muller in december 2014 bekendmaakte dat hij de financiering zou stopzetten. Een bescheiden financiering, zo'n 5.000 euro, vooral bedoeld om de jaarlijkse trofee, een boksbeugel met diamanten van de hand van Wim Delvoye, te bekostigen. De Stad Antwerpen neemt immers plechtigheid en receptie voor haar rekening. Maar Jespers' wantrouwen was terecht. Hij stelde uitreiking uit. Op 4 maart 2015 werd Muller in Montenegro, op vraag van de Belgische overheid, opgepakt. Hij werd verdacht van kokainesmokkel en het witwassen van drugsgeld. Pas in juni vorig jaar kon de laureaat zijn prijs komen afhalen: de bejaarde Jacob Vis, voor zijn roman De Zwarte Duivel. De boksbeugel mocht hij vergeten, De Diamanten Kogel (officieel uitgereikt door het Genootschap van Vlaamse Misdaadauteurs, dat zelf al een uiterst hobbelige weg had afgelegd, met onderbrekingen zelfs) werd uit de nood geholpen door Laura De Coninck, de dochter van de halbstarken- en bakvis-dichter Herman De Coninck. Zij zorgde voor een passende litho, en bespaarde Jacob Vis een trauma.

 

Nog meer ironie, deze keer in het eindverslag van de jury. Die stelt vast dat in het ruime aanbod van oorspronkelijk Nederlandstalig werk in de Lage Landen (151 publikaties, waarvan er 24 de longlist haalden; het is mij onduidelijk of ook werk in eigen beheer en/of print on demand was opgenomen, wat de échte amateurs een pad in de korf kan zetten) een opvallende aandoening aan populariteit wint: de teldwang (geleerd ook aritmomanie genoemd). “De jury hoopt dat deze dwangneuroze niet besmettelijk is”, tekent verslaggever Alain Sohier aan.

 

De sterkste ironie zit hem niettemin in het bekroonde werk zelf. Smeergeld draait uitgerekend om de korruptie waarvan de prijs bijna zelf het slachtoffer was geworden. Honni soit qui mal y pense. Marbe, vrijwel onbekend onder de Moerdijk, pakt het aktuele thema van de klokkenluider aan. Stadsbouwmeester Job van Emmerik kaart de omkooppraktijken van de vroede vaderen bij de bouwplannen in Haarlem aan, maar dat bekomt hem slecht. Hij verliest zelf zijn baan, en belandt in een helse kring van verarming en uitsluiting. De naam van het hoofdpersonage is een programma op zichzelf: Job op de mesthoop. En Emmerik, het grensstadje in Kleef op de rand van twee kulturen, de Nederlandse en de inhalige Duitse. Die botsing van kulturen komt ook aan bod in de verdere verwikkelingen, als een oud-geliefde van Job uit Oost-Europa zijn gezin en zijn portemonnee tracht te ontwrichten – wat Job zelf aanzet om er de kantjes af te lopen, en het recht in eigen handen te nemen. Met als onderliggende grondlijn dat de mens in wezen een oplichter is, die macht altijd misbruikt tegenover wie sociaal lager staat, en een kollaborateur, om de macht boven hem gunstig te stemmen. Van smeergeld tot afpersing, dat gamma.

 

Ik moet eerlijk bekennen dat ik Marbe eerder alleen als gedreven columniste en kontroversiële schrijfster van opiniestukken kende uit verschillende Nedrlandse kranten (De Volkskrant, De Telegraaf, Trouw, en het NRC Handelsblad). Haar onderwerpen gaan steevast in op maatschappelijke afwijkingen en pijnpunten. Ik leerde haar beter kennen toen ze vorig jaar op de Dam in Amsterdam als enige niet-gezagsdrager het woord nam de dag na de barbaarse moorden bij Charlie Hebdo in Parijs. Er waren toen een kleine 20.000 mensen bijeengekomen uit protest, rouw, en verdediging van de vrijheid van meningsuiting die mij zelf nauw aan het hart ligt. Naast de gebruikelijke ijle politieke verklaringen van minister-president Mark Rutte en burgemeester Eberhard van der Laan, naast het ambtelijk optreden van hoofdkommissaris van politie Pieter-Jaap Aalbersberg, klonk de korte rede van Marbe even gechargeerd als verademend. Ik begrijp vandaag haar woorden beter na de satirische laag van haar thriller geschraapt te hebben. “Waarom waren de Franse satirici zo belangrijk ?”, vroeg ze retorisch. “Omdat ze moed hadden, onverschrokken doorgingen, zich niet zoals zovelen die in vrijheid leven alsnog door terreur lieten kisten. Ze draaiden niet, ze conformeerden zich niet, ze logen niet, ze ontkenden niet, ze bleven hun werk doen”.

 

Daar zitten natuurlijk eigen ervaringen bij, positief en negatief. Positief omdat ze als achttienjarige door haar ouders op de vlucht was gezet naar Nederland, in de jaren dat de diktatuur van Ceaucescu groteske vormen begon aan te nemen en de oude wijken van Boekarest met de grond gelijk werden gemaakt voor een protserig en megalomaan bouwprojekt (!) dat uitmondde in een afzichtelijk, stalinistische wijk met kitsjerige waterpartijen, slordig afgewerkte sierkunst, en een onbewoonbaar dramatisch groot paleis dat Ceaucescu uiteindelijk zijn macht en zijn kop zou kosten. Ik weet het, ik ben er tijdens de revolutie voor één sigaret op mijn eentje mogen doorlopen – toen al vielen de stukken plafond naar beneden – en later heb ik op het fatidieke balkon gestaan waarop de Grote Conducator door boegeroep van het volk werd weggeblazen – toen zag ik meteen welk minderwaardig materiaal was gebruikt door de Franse broodheren, en hoe iedereen iedereen had bedrogen. Het is gepast dat nu de twee kamers van het parlement er vergaderen. In een schandelijk interieur van kroonluchters, vergulde lijsten en karmozijn. Roemenië is nog altijd geen lid van Schengen, de Europese Unie heeft dat terecht tegengehouden.

 

Ik denk niet dat Marbe mij ongelijk zal geven. Ze heeft ooit een hartverscheurend stuk geschreven in De Volkskrant over Praag 1968. Twintig jaar later na het neerslaan van de Praagse Lente stelde ze de schijnheiligheid van Ceaucescu helemaal op scherp. Ceaucescu had toen een opvallende toespraak gehouden waarin hij schijnbaar de Russen veroordeelde voor hun inval en even schijnbaar solidariteit met Tsjechië leek voor te staan. Gelouterd door haar jaren in West-Europa komt ze geschokt tot een dramatisch inzicht. Het was een “verraderlijke speech”. Ceaucescu was alleen uit op bestendiging van zijn eigen macht. Daarom brak hij een lans voor het recht op een “eigen socialisme”. Maar wat hij niét zei was veel belangrijker. Hij veroordeelde het Sovjetoptreden niet, hij schaarde zich niet achter de demokratische hervormingen, hij steunde helemaal niet de vrijheid van pers of vergadering. Helaas, verzucht Marbe, begrepen we dat toen niet. Mijn Grieks-joodse ouders geloofden dat wat hij zei een omwenteling inhield en keerden terug naar Roemenië. “Een fatale vergissing”.

 

Die achterdocht, die geslepenheid, die bedrieglijkheid doordesemen ook Smeergeld. Net die mengeling van satire, engagement en een onbevangen verontwaardiging over endemische korruptie maakt van deze debuutthriller een protestboek, eerlijk, maar weinig getrimd. Het lijkt meer een aaneenrijging van columns dan een weldoordacht plot – en het moet maar es gedaan zijn met die nikszeggende marketingomschrijvingen als “een onweerstaanbare pageturner”, zoals Michael Vandenbril (Antwerpen Boekenstad) beweerde. Net omdat je geregeld blijft hangen bij “ongezouten meningen”, wordt de lektuur af en toe afgeremd, zijn de uitweidingen soms intrigerender en verwarrender dan de ontwikkelingslijn van de plot. Dat is geen negatieve beoordeling, alleen een veroordeling van smakeloze verkoopspraatjes.

 

Het juryverslag is meer ad rem. “De illusie van het maakbaarheidsideaal in de Nederlandse samenleving wordt grondig gefileerd en met de grond gelijk gemaakt”. Daar gaat de verzorgingsmaatschappij. Daar gaat het domineesvingertje. Want inderdaad, “iedereen heeft boter op het hoofd”, van Job die zijn overspel verzwegen heeft voor zijn vrouw tot de ongenaakbare regenten die overheidsgeld naar goeddunken voor eigen politiek gewin kunnen aanwenden

 

Overigens heb ik intussen ontdekt dat Marbe in 1999 een beurs en de prijs kreeg van het Charlotte Köhler Stipendium voor de beste letterkundige publikatie. Dat was voor Mândraga, een treurig familieverhaal over leven in “de aars van Europa”, waarvoor Roemenië doorgaat, maar dat niet op algemene instemming kon rekenen. Willem Kuipers had in De Volkskrant liever een dokumentaire of een autobiografie gezien, dan wat hij nu bekijkt als een warrige roman, die zich verliest in details. Ik heb er geen oordeel over, want helaas is het boek mij destijds ontgaan.

 

Dat Smeergeld het haalde was dus ook voor mij een verrassing. Ik begrijp de jury wel, de verleiding om een gevestigde waarde te bekronen loert altijd om de hoek. In die zin zijn Michael Berg (Het Meisje op de Weg) en Rudy Soetewey (Bewijs het maar) al ruim bediend geweest. Berg won al de Gouden strop voor Nacht in Parijs. Soetewey was aan de eer met de Hercule Poirotprijs voor Getuigen in 2011 en de Diamanten Kogel (2013) voor de dystopie 2017. Minder vanzelfsprekend was de nominatie van Kim Moelants (De Vrouw in de Spiegel) met andermaal het infernale duo, de daadkrachtige brigadier Tess Westerhout en de psychopaat Charlie Zwols, en van Daan en Thomas Heerma van Voss (Ultimatum) waarin twee onopgeloste moorden (die van de moeder en die van de vriendin) de verwijdering en aantrekkingskracht tussen een vader en zijn zoon tot het ultieme op de proef stelt.

 

Eerlijk gezegd had ikzelf liever Jos Dewit op het hoogste schavotje zien staan met zijn derde thriller, Weg, die een hoofdrol geeft aan de half-Vlaamse half-Tunesische inspekteur Zeiz (zou Brusselmans een toespeling hebben gemaakt op Dewit als hij zijn speurder Zeik noemde ?). De kracht van Dewit zit hem in de zeer genuanceerde personages, niks geen burleske karaktertekening, wel met sociaal niet dik aangezette maar des te diepgaander en tastbaarder gedragingen die meer dan welke pamflettaire thriller ook de konventies van het genre overschrijden. De afwezigheid van moralisering, de nuchtere beschrijving van een prostitutienetwerk in een asielcentrum, zij bepalen de meest evenwichtige van de genomineerde romans: Weg.

 

Maar goed, dat is mijn mening. Het was in elk geval een verstandige zet van Henri-Floris Jespers om al enkele jaren na de eerste uitreiking – in 2002 aan Benny Baudewijns, voor De Emerson Lokomotief – over te schakelen naar een algemeen-Nederlandstalige selektie. Het beste Vlaamse spannende boek was al nadrukkelijk ingenomen door de Hercule Poirotprijs (sinds 1998), en de markt is te klein voor twee konkurrerende prijzen die in dezelfde vijver vissen.

 

Dat Marbe een omstreden winnares kan zijn, doet niet ter zake. Het gaat dan om buitenliteraire kriteria, en die mogen niet gelden. Marbes columns over integratieproblemen hebben namelijk vooral bij De Volkskrant voor verdeeldheid gezorgd. Ze zijn te kontroversieel, “te rechts”. Maar zelf haalt Marbe de schouders op. “Ik noem mezelf veeleer liberaal”, zegt ze – en ook dat is niet onomstreden, want ze schrok er niet voor terug Mark Rutte vorig jaar fors de mantel uit te vegen voor zijn inhoudsloos populisme op het partijkongres van de VVD eind mei vorig jaar. Dat Elsbeth Etty haar afbreekt, doet ze af als een aanval “ad hominem”. Marbe zweert bij wat ze over Charlie kwijtwou: “Alleen domoren en intoleranten (onverdraagzamen) zien in satire een belediging. Alleen moordenaars vinden die belediging een reden voor bloedige wraak”. Wie kan dat niét onderschrijven ? Ze heeft de boksbeugel verdiend.

 

 

Nausicaa Marbe, Smeergeld. Amsterdam, Prometheus 2014, 320 blz.

 

 

 

 

 

 

De commentaren zijn gesloten.