10-01-12
Ik Maak je Kapot.

VANAF NU IS ER EEN GLOEDNIEUWE THRILLERRUBRIEK WAARIN
REGELMATIG EEN BIJDRAGE VAN LUKAS DE VOS. JE ZAL OUDERE BESPREKINGEN TERUG KUNNEN VINDEN ONDER:
http://ansiel.cinebelblogs.be/thriller
HET SALDO VAN DE SALDUZWET
Bart Debbaut, Ik Maak je Kapot. Antwerpen, Manteau 2011, 304 blz., € 21,95, ISBN 978 90 223 2672 5
De Turk Salduz heeft nogal wat op zijn geweten. Het hele politie-apparaat voor de spiegel en te kijk gezet, en afdwingbaarheid van raadsmanbijstand doorgedrukt bij het allereerste verhoor. Speurders maar vloeken en kijven, want hun afdreiging verliest meteen alle kracht.
In de meeste gevallen zal het ze leren, die macho-machinaties tegen veelal afgeblufte, verloren pseudoverdachten. Er is al genoeg machtsmisbruik en overmatig kontrolevertoon op de argeloze burger. Bij echte misdadigers knaagt er wat twijfel. Als Witse mag roepen en op tafel kloppen, waarom dan niet John Leyssens, de onevenwichtige weduwnaar die meer worstelt met de appreciatie van zijn kinderen en zijn geheime relatie met jongere kollega Mieke Van Cattendyck ? En zich dan nog schuldig voelt omdat hij zijn moeder verwaarloost in het rusthuis, en zich ongemakkelijk voelt bij de bedekte (ingebeelde ?) avances van prokureur des konings Marie-Christine Keppens ? De reden is nochtans simpel: iedereen is onschuldig tot het tegendeel bewezen is. Wat Leyssens en zijn kollega’s nogal makkelijk (begrijpelijk maar stom) omdraaien. Ja, speurders hebben een lastig leven.
Nu ben ik redelijk onvriendelijk geweest over de ijverzucht en het zich schurken aan aktualiteitsgedreven hypes die Bart Debbaut in zijn drie vorige thrillers aan de dag legde (met name in De Facebookmoorden). “Schrijven met de aanwijsstok”, zei ik in Knack. Het is een opluchting vast te stellen dat de moralisering zo goed als verdwenen is. Dat de hand niet langer overspeeld wordt door een te gretige aanpak. Er zit zelfs een lovenswaardige kiesheid in de evenwichtige introduktie van het sado-masochisme dat in besloten klubs beoefend wordt – al lijkt de inleg, het inschrijvingsgeld zeg maar – me redelijk laag te liggen voor heren van stand(jes), geen duizend euro. Het is wel indikatief voor de nieuwe benadering van Debbaut. Minder overschreeuwd, minder nadrukkelijk, minder publiciteitsgeil, minder belerend. Meteen een forse sprong voorwaarts.
Wat nog te wensen overlaat is de stilistische vlotheid. “Stroeve konstrukties”, zegt Patrick Van Gompel. Nee, eerder clichématig taalgebruik. En geforceerde pogingen tot oorspronkelijke beelden. Een greep. “Waarom niemand mocht meedelen in hun prille geluk” (72). Pril, in godsnaam. “De opwinding in Leyssens’ stem was oorverdovend” (146). Synestesie. “Een wervelende scène, die het ene bis na het andere had veroorzaakt” (149). Seks. Uiteraard, dara hebben al onze auteurs het knijperig mee. “Het slijk der aarde dat zo vaak een motief was voor moord”. Poen, wat dacht je. “Een uitgebruiste fles cola”. Geen champagne ? “Mieke kon nog net elk vezeltje in haar lichaam samenpersen, anders had ze het uitgegild van het lachen” (273). Buikpijn van bijna in de broek doen ? “Zijn driftspeeksel vloog door de lucht” (278). Waar anders ? “Haar zoon, haar oogappel, haar eigen bloed” (295). Wie anders ?
Maar het moet Debbaut worden nagegeven: ondanks de stokbeelden en het soms armetierige taalgebruik dat recht uit de vrouwenboekjes komt, wordt de ontplooiing van zijn plot niet gehinderd door die vertragingsmaneuvers. De ontknoping mag dan niet echt verrassend zijn, de opbouw naar de onthulling van de dader ontspoort nergens, en de seriemoordenaar om wie het gaat wordt beroepsmatig aangebracht. Debbaut beheerst de ontwikkeling van een plot die stelselmatig, als een ajuin, ontveld wordt. De manier waarop moeizaam een verband wordt gelegd tussen een drietal moorden op gewelddadige perverten, die schijnbaar geen uitstaans met elkaar hebben, brengt hij subtiel aan. Het beste is Debbaut als hij ingaat op de stroeve ouder-kind verhoudingen. De snerende toon van Leyssens’ zoon in Singapoer op zijn nieuwe relatie na de dood van zijn vrouw Veerle, de zoektocht van dochter Tine naar stabiliteit in haar eigen leven, daar toont Debbaut zich even gevoelig als begrijpend. De echte kritiek blijft beperkt tot het ongelijkmatige taalgebruik. De foutjes hebben te maken met eksplicitering, herhaling, manke logika, en, zoals gezegd, stijl.
Zo valt het me op dat hij overvolledig wil zijn als hij tot tweemaal toe uitdrukkelijk nageeft waar de Sango Artgallery is “van het Theaterhotel in de Bondgenotenlaan” (42/50). Of herhaalt: “De dochter van Leyssens had hen verrast met een blitzbezoek” (149) – had ik wel net gelezen. Je hebt soms de indruk dat er teveel tijd ging over het schrijven van een volgend hoofdstuk, zodat hij de aandrang voelt om nog eens duidelijk aan te geven waar het zich afspeelt. De overbodige heisa waarmee ruzies ontrafeld worden (169). De gedachtensprong dat “het gedrag van het slachtoffer” aan de basis kan liggen van de moord (238), terwijl enkele paragrafen verder Leyssens verzucht dat het “hoog tijd werd dat er klaarheid in de zaak kwam” (239). Ofwel heb je een idee, ofwel niet.
Wat ik bijzonder leuk vind is dat de titel je op het verkeerde been zet. “Ik maak je kapot” is merkwaardig genoeg een uitroep van de onderzoeker, niet van de moordenaar (268). En eigenlijk niet ter zake. Want de echte moordenaar weet maar al te goed hoe hij op doordachte en gerechtvaardigde manier een reeks machtswellustelingen uit de weg moet ruimen. Of het ook begrijpelijk is waarom elk slachtoffer met achttien meesteken aan zijn eind komt, is betwistbaar, op het gekunstelde af. Maar de karaktertekening van zeker twee personages vergoedt licht de wat kunstmatige opzet: die van psychiater Kempeneers (de man die beroepsgeheim en afwijking kundig in balans houdt) en die van de Bijbelzieke weduwe Benedicte Coemans.
Daar moet Debbaut op voortbouwen. Hij slaagt erin de verhaalsontwikkeling rustig onder kontrole te houden, zonder op ongepaste verrassingen in te willen spelen. En hij heeft greep op de drijfveren van jongeren en ouderen, die rechtstreeks aanleiding geven tot misverstanden en wrijvingen. Debbaut groeit naar een volwassen thriller toe. Nog één overhaul van een kritische eindredakteur die oog heeft voor de voor de hand liggende klemtonen. Nog één faze van gebalder, suggestiever proza, en Debbaut schaart zich aan de zijde van de klassieke thrillerauteurs die Vlaanderen intussen rijk is: Aspe, Deflo, Soetewey, Schoemans, Teigeler. Aan klassiek zijn is niets oneerbaars. Het bewijst alleen dat een verhaal onplichtmatig boeiend en onderhoudend kan zijn. Debbaut heeft het in zich.
Lukas De Vos
22:14 Gepost in BOEKEN, gasten, thriller | Permalink | Commentaren (0) | Email dit | Tags: lukas de vos








Post een commentaar
NB: commentaren worden gemodereerd op deze weblog