Blogs cinebel.be
cinebel.be | Créer un Blog | Envoyer ce Blog à un ami | Avertir le modérateur

16-08-07

KOPSTUK

Twijfelen tussen de muze en de callgirl: over het oeuvre van Geerten Meijsing

 

In de Nederlandstalige literatuur zijn vandaag de dag maar een handvol echt goede auteurs te vinden. De Nederlandse schrijver Geerten Meijsing is daar een van. Wars van heersende modes, schrijft hij al vanaf 1975 aan een oeuvre dat vooral vormelijk van een superieure kwaliteit is. Bovendien is het ook inhoudelijk coherent: alle boeken verwijzen naar elkaar en op die manier heeft Meijsing een eigen wereld gecreëerd waarin het meer dan aangenaam vertoeven is. Via een chronologische bespreking van dit in het Nederlandse taalgebied volstrekt uniek werk, wil dit extra lange Kopstuk – de allerlaatste gedrukte bijlage van de Vrijzinnige lezer - zowel de inhoudelijke als vormelijke aspecten van Meijsings oeuvre belichten. Dit komt neer op een studie van werkelijkheid en fictie, de twijfel tussen het hoge en het lage, het optimisme en het pessimisme, het hedonisme en de verveling, de schoonheid en de lelijkheid. Kortom: de muze en de callgirl.

Joyce & Co

 

Tijdens de jaren zestig was er een hernieuwde belangstelling voor het oeuvre van James Joyce. Het resultaat hiervan was enerzijds een belangrijk aantal studies en vertalingen (behalve het pas onlangs vertaalde Finnegans Wake, werd in deze periode alles van Joyce in het Nederlands vertaald) en anderzijds de oprichting van enkele lees- en discussiegroepen om het werk van de Ierse schrijver te bestuderen. Een van deze groepen werd opgericht door de Haarlemse advocaat Gerard de Leeuw en naast de vertaler van Ulysses, John Vandenbergh, behoorden ook twee gymniasten van nauwelijks zestien, Kees Snel en Geerten Meijsing, tot deze groep. Enkele jaren later stichtten deze twee vroegrijpe jongeren het schrijvers- en filmerscollectief Joyce & Co. (Deze naam verwijst naar Shakespeare & Co, een Parijse boekhandel in 1919 opgericht door Sylvia Beach aan de rue de l’Odéon. Deze boekhandel was in de jaren twintig en dertig een ontmoetingsplaats voor Engelse immigranten die in literatuur waren geïnteresseerd. Joyce zelf kwam er geregeld en Ulysses verscheen in druk bij Shakespeare & Co.)

 

Het is belangrijk om wat langer bij dit collectief stil te staan omdat het een onuitwisbare stempel heeft gedrukt op al wat Meijsing later heeft geschreven. Het romandebuut van Joyce & Co, Erwin, is, volgens Meijsing zelf het boek waaruit alle andere boeken geboren zijn. In De grachtengordel schrijft Meijsing dat het zo is “dat je maar één boek schrijft, en altijd hetzelfde boek blijft schrijven, met hier en daar misschien een herschikking van het materiaal, een andere invalshoek. De stem kan aan veranderingen onderhevig zijn, de ziel blijft gelijk.” Het officiële oprichtingsjaar van Joyce & Co is 1968. Meijsing neemt al snel het pseudoniem Erwin Garden aan en Kees Snel verengelst zijn naam tot Keith Snell. Aanvankelijk hadden deze twee een collectief voor ogen dat boeken, films en vertalingen zou maken. In de eerste jaren bestaat de groep uit zes personen die elkaar van de middelbare school kennen. Al snel is duidelijk dat films maken niet echt makkelijk is, dat Meijsing en Snel al het vertaalwerk doen en dat Meijsing de enige is die ook zelf schrijft.

Belangrijk om het werk van Meijsing te begrijpen, is enige kennis van het soort boeken dat werd vertaald. Enerzijds de Franse literatuur van de negentiende eeuw: onder andere Baudelaires Pauvre Belgique, Flauberts Novembre en verhalen van Chateaubriand en Barbey d’Aurevilly. Anderzijds de Amerikaanse Beats uit de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw. Joyce & Co vertaalden bijvoorbeeld Burroughs’ Naked lunch (hun eerste vertaling) en Kerouacs Big sur. Na 1975 werden ook T.S. Eliot, Stendhals brieven en Huysmans’ Là-bas vertaald. De boeken van Joyce waren al vertaald en Finnegans wake was toch een ietsje te moeilijk. Bovendien verloor het collectief al vroeg alle belangstelling voor Joyce. Wel is het zo dat Joyce & Co van Joyce hadden geleerd dat een boek moet worden geschreven met een vooropgezet schema.

Tussen 1970 en 1975 publiceerde Joyce en Co in de tijdschriften Raster, Maatstaf en De gids een reeks verhalen. Hoofdpersoon is Erwin Garden die zich op eenentwintigjarige leeftijd heeft teruggetrokken in een landhuis in Golino, een dorpje in het zuiden van Zwitersland. De verhalen gaan over gelukkige tijden met zijn boezemvriend Michael en zijn geliefde Martha. Ook Kees Snel komt als Keith in de verhalen voor. Er is ook sprake van ‘de Firma’. Volgens de literatuurwetenschapper Jack van der Weide (Dossier Meijsing, in: Literatuur, Jrg. 19 (2002), nr. 1) moeten we de Firma zien als een geïdealiseerde versie van Joyce & Co: zonder materiële zorgen en alle tijd om met literatuur bezig te zijn. De leden van de firma beschikten immers over grote sommen geld, landhuizen, dure auto’s,… Naast feest vieren, schrijven ze ook boeken en films. Het hele oeuvre van Meijsing zal doordrongen zijn van dergelijke, voor de literatuur aangepaste, autobiografische verwijzingen.

In 1974 publiceert Joyce & Co zijn eerste roman: Erwin (5 oktober 1972). Het is het eerste deel van de Erwin-trilogie, dat in 2001, samen met de andere delen, Michael van Mander en Cecelia, door de Arbeiderspers opnieuw is uitgebracht in een dundrukeditie van meer dan duizend bladzijden. De boeken verschenen oorspronkelijk in respectievelijk 1974, 1979 en 1986. Het boek is bij publicatie, samen met de andere boeken van de trilogie, door zowel critici als publiek verguisd. Het synoniem werd hoogdravend genoemd (het is dan ook aardig dat Meijsing in Veranderlijk en wisselvallig zijn nieuwe muze, de jazzmuzikante Laura, laat zeggen: “Ik noem mezelf toch ook niet Stravinsky & Co, of beter nog, Petrarca Incorporated, alleen omdat ik Laura heet?”), het boek hermetisch en dus onleesbaar. Dat is echter één versie van de feiten. Het is inderdaad af en toe worstelen met de tekst, maar de schoonheid en de elegantie van de zinnen maakt heel veel goed. Bovendien was Meijsing bij de publicatie van Erwin pas tweeëntwintig. De lijsten met kunstwerken en kunstenaars, de citaten, verwijzingen en parodieën doen inderdaad pedant aan. Deze hoogmoed kan wellicht aan de jeugd worden toegeschreven.

De drie boeken samen vormen een ideeënroman waarvan het grootste gedeelte bestaat uit bespiegelingen over literatuur, de Klassieke Oudheid, filosofie, de dood en de liefde. Het is tevens een Bildungsroman waarin jongemannen van hun leven een kunstwerk willen maken, waarin ze vechten tegen de verveling, de middelmaat, de stompzinnigheid en lelijkheid van de mensen en het bestaan. De hele Erwin-trilogie werd aangekondigd als “een romantisch-decadente propositie over de verveling en de condities van het schrijverschap.” Het belang van de auteurs die Joyce & Co heeft vertaald, komt hier tot uiting. Thema is de decadentie van Baudelaire, Huysmans en Flaubert. Het is narcistisch en uitdrukkelijk niet maatschappelijk geëngageerd, vakmanschap en geen inspiratie, estheticisme en l’art pour l’art. Volgens Meijsing is de uitdrukking dat smaken verschillen, ongelooflijk dom: je kan enkel tekortschieten in de smaak. Uit Michael van Mander:

 

Net als door de maniëristen werden kunstwerken door hen [Garden en Snell] begrepen in de geest van virtuoso-prestaties, en ze verlegden voor zich de nadruk in de bestanddelen van de functie van een kunstwerk: niet praktisch, noch werkelijk, nauwelijks ceremonieel en in het geheel niet maatschappelijk geladen, maar een voortdurende expositie van virtuositeit, verbijsterende dingen, het idee van een volmaakt en absoluut product.

 

Een romantisch-decadente inhoud gecombineerd met een classicistische literatuuropvatting.

 

In de eerste roman is Meijsings alter ego, Erwin Garden, weer de hoofdpersoon en nog steeds woont hij in Golino, bij het Lagio Maggiore. Alle gebeurtenissen in het boek spelen zich af op deze ene dag, 5 oktober, de verjaardag van Erwins geliefde Martha. Het boek vertelt hoe Erwin, afgewezen door zijn geliefde, zelfmoord pleegt. In stijl weliswaar. Het is een ode aan de liefde, aan de muze, aan Martha. In Michael van Mander vinden we Erwin terug in Toscane, de streek in Italië waar Meijsing tot op de dag van vandaag woont. Zijn beste vriend, van Mander, heeft niet enkel hun gezamenlijke idealen verloochent (hij studeert buitenlandse handel), maar bovenal heeft hij Martha van hem ‘overgenomen’. In dit boek keren we terug naar de jeugd van de vrienden, die ze samen doorbrachten in de provinciestad Haarlem en waar ze op het gymnasium hun voorliefde voor de Oudheid en de Renaissance opdeden. Pas in de derde roman, Cecelia, blijkt dat de zelfmoordpoging van Erwin is mislukt. 

 

De boeken zijn op het maniakale af geconstrueerd. Ook alle latere werken van Meijsing zijn in meer of mindere mate geconstrueerd. Al vroeg rijpte bij Meijsing immers de idee dat de formele aspecten van een roman belangrijker zijn dan de inhoudelijke. Onder vorm verstaat Meijsing het geheel in de verhouding van alle onderdelen tot elkaar en tot dat geheel. Voornamelijk de getalsmatige of pythagoraeïsche compositieleer en de retorica, zijn de twee pijlers waarop zijn oeuvre is gebaseerd. Zij vertegenwoordigen het dubbele aspect van wat Meijsing onder schoonheid verstaat: een eeuwig, onveranderlijk aspect (het equivalent van de platoonse idee van de schoonheid) en een veranderlijk aspect dat tijdelijk is en zich naar mode, moment en milieu voegt. (In tegenstelling tot vandaag was de argumentatieleer, toen Meijsing zijn trilogie schreef, helemaal niet populair.) Deze twee uitgangspunten bepalen zowel vormelijk als inhoudelijk de Erwin-trilogie: als compositiebegrippen en als behandelde onderwerpen. In de uitgave van 2001 geeft Meijsing hierover uitleg in Enige kanttekeningen bij de constructie van de Erwin-trilogie. Deze bladzijden zijn om van te duizelen. De lezer vindt er wiskundige vergelijkingen en hermetische schema’s. Erwin is formeel gezien gebaseerd op de ondertitel: vijf delen, tien hoofdstukken, tweeënzeventig alinea’s, vierentwintig eenheden van zesduizend woorden en 365 bladzijden. Maar dat is lang niet alles: elk hoofdstuk heeft zo zijn eigen voorbeeldcanon (onder ander Théophile Gautier, Proust, Flaubert, Huysmans, Petronius en Joyce). In Michael van Mander spelen ‘evenwichtsstructuren’ een grote rol, zoals de gulden snede en het pentagram. Cecilia is gebouwd op de structuur van de diatonische muziek. 

 

Varium et mutabile semper/ (femina)

 

 

Veranderlijk en wisselvallig (Vijf variaties) (1987) en Altijd de vrouw (1991) vormen een tweeluik. De titels verwijzen naar een citaat uit de Aeneïs van Vergilius: “Varium et mutabile semper/ (femina)”, de vrouw is een altijd veranderlijk en wisselvallig iets. De titel van het eerste boek is een vertaling van het eerste deel van de zin. Het tweede boek verbindt ‘semper’ met ‘femina’. Meijsing wijkt, door ‘varium et mutabile’ tegenover ‘semper’ te plaatsen, af van de oorspronkelijke betekenis en zet zo het citaat naar zijn hand.

 

Met Veranderlijk en wisselvallig, een boek over vijf erotische ontmoetingen, publiceert Geerten Meijsing voor het eerst een roman onder zijn eigen naam. De stijl is veel minder barok. Wellicht mede daardoor wint het boek de AKO-prijs in 1988. Er wordt weer een vernuftig spel gespeeld met werkelijkheid en fictie. Zo lezen we bijvoorbeeld:  “Uit de stad Lucca, sinds een aantal jaren zijn stad geworden, waarin hij een aperitivo Americano was wezen drinken ter gelegenheid van het bericht dat zijn grote jeugdliefde, aan wie hij vijftien jaar van zijn leven plus een romancyclus waarin zij begeerlijk en maagd gebleven was, had opgeofferd, haar tweede kind had gekregen […]”. 

 

Vrouwen zijn een constante in het werk – en in het leven – van Meijsing. Hij houdt van ze en haat ze. Meijsing is voortdurend op zoek naar vrouwelijk schoon en wordt er als een gek door aangetrokken. In De ongeschreven leer zegt Kanger (Snel): “Begeerte is de menselijke conditie bij uitstek.” Die aantrekkingskracht is een lichamelijke drang waartegen hij zich niet met zijn wilskracht kan verzetten. “Zijn ideeën werden door deze koorts aangetast banaal, zijn overigens hoge morele stellingname volledig ondermijnd.” Hij wordt zowel betoverd door ‘gewone’ of ‘simpele’ vrouwen als door meer ‘intellectuele’ vrouwen. Een voorbeeld van de eerste soort is Eva, een personage dat erg goed lijkt op Lily, de ‘borderliner’ uit Dood meisje: “Ze was zo onthecht van mensen, geld en plaatsen, en zo gelukkig in haar doelloze bestaan, dat ik met alle geweld wilde doorgronden hoe zij het leven naar haar hand zette en omvormde tot louter plezier.” Belangrijker, zowel voor het verdere oeuvre van Meijsing als voor het leven van de auteur zelf, is de ontmoeting met de Amsterdamse jazzmuzikante Laura Lauweren. “Ik had in de krant gelezen dat er die avond een concert zou worden gegeven door het septet van Laura Lauweren, en nu wilde ik weleens zien hoe een meisje een saxofoon in haar mond neemt.”

 

De dichter en publicist Onno-Sven Tromp, maakt in het Dossier Meijsing de voor de hand liggende vergelijking met Petrarca. Voor Petrarca was de wereld een grote worsteling omdat hij zich niet kon neerleggen bij de kloof die bestaat tussen de alledaagse en moeilijk te vatten werkelijkheid en het ideaalbeeld dat hij van het leven had. De onbereikbare Laura, bezongen in tal van sonnetten, is hiervan het mooiste voorbeeld. Ondanks het feit dat weinig is geweten over deze figuur, weten we toch dat ze werkelijk heeft bestaan, getrouwd was en dus onbereikbaar. Net als de middeleeuwse dichter bezingt Meijsing de onbereikbare Laura, die eveneens bestaat buiten het oeuvre van Meijsing: het is de jazzsaxofoniste Vera Vingerhoeds. Aan het begin van het hoofdstuk over Laura staat “Voor V.” en  Altijd de vrouw wordt opgedragen aan Vera. Ook hier weer de spanning tussen de ideale verbeelding en de giftige werkelijkheid. De ik-figuur uit Veranderlijk en wisselvallig heeft weliswaar een zwangere vriendin en Laura een vriend, maar toch hangt er een broeierige erotische sfeer als ze elkaar ontmoeten. Ze gaan uitgebreid dineren en kussen elkaar. Meer niet. De laatste afspraak, voor het hoofdpersonage weer naar zijn geliefde Italië vertrekt, zegt ze af. Ze laat hem een bandje achter met haar nieuwe muziek: “Een geheel ander soort muziek spoot keihard uit de luidsprekerboxen. Geen kamermuziek meer, maar lawaai op maat van schaatsbanen en voetbalstadions, en ook gericht op de ontvankelijkheid van het publiek dat zich op zulke plaatsen laat samendrijven.” Net zoals hij afknapt op haar nieuw ingeslagen muzikale experimenten, knapt hij nu ook af op Laura. Voorlopig toch. 

In de meer bespiegelende tussenhoofdstukken, getiteld Melancholische anatomie, krijgen we expliciet te maken met melancholische overwegingen die kunnen worden gezien als zowel liggende in het verlengde van de levensmoeheid van Erwin als een voorbode van Tussen mes en keel. “De kleine tegenslagen wisten hem helemaal uit het veld te slaan en in een toestand van de allerdiepste neerslachtigheid te brengen.” Toch gaat het niet om melancholie alleen. Er is altijd de spanning met het sublieme, het verhevene:

 

 

Ja, hij was misschien tot deze zwaarmoedigheid gekomen, niet zozeer omdat de genoegens van het leven hem onthouden bleven, maar omdat zijn gevoeligheid, meer dan bij anderen steeds bovenmate geprikkeld, in bijzonderheid was afgestemd op het sublieme. […] Van de vergankelijkheid van de aardse, en ongrijpbaarheid van de hemelse schoonheid werd hij zo somber.

 

De ik-figuur is enerzijds in het onvermogen om van de dingen te genieten en anderzijds voortdurend op zoek naar het schone, in de kunsten en in de vrouwen. Hij zoekt zijn toevlucht in pijnstillers, drank en andere genotsmiddelen, “want hij was erg gevoelig voor de artificiële paradijzen.”

 

In Altijd de vrouw keert Meijsing terug naar hetzelfde verhaal uit Veranderlijk en wisselvallig. In Toscane blijft de hoofdfiguur, Erik, achter met zijn dochtertje Chiara van de door hem verlaten Eefje. Er wordt terug gemijmerd over de verloren liefde. Hier is het Meijsing niet zozeer te doen om de liefde voor specifieke vrouwen, maar om de ‘idee’ vrouw. Laura heeft de hoofdpersoon per brief haar komst naar Italië aangekondigd. Pas op het einde van de roman komt ze aan. Ondertussen lezen we hoe de relatie met Eefje is verlopen. In Altijd de vrouw zitten verwijzingen naar de Erwin-trilogie, het gebrek aan erkenning en geld die deze boeken hebben opgeleverd, de Haarlemse periode (Snel heet voortaan Kanger), de personages uit het eerste deel van het tweeluik (Aleid, Beatrijs, Eva, Laura,…), de sluimerende depressies en het ideaal van de wereld in artistieke zin te herscheppen. En ook hier weer dezelfde spanning tussen lichaam en geest:

 

Erik gaf aarzelend toe: ‘Ik weet ook wel dat het best soort leven maximaal gewijd is aan een contemplatief en filosofisch streven, al sluit ik het abstracte verlangen naar schoonheid niet uit; en dat die andere bezigheden op zijn hoogst louter een doelmatige waarde hebben. Ondertussen zit ik met dit dilemma en word ik gefolterd door mijn hartstochten. Hoe kom ik ervan af?  

 

Deze platoonse dialoog en thematiek komen in alle boeken van Meijsing voor. Erik, opgegroeid in een kunstmatige wereld van de rede en de kunst, is jaloers op Eefjes plezier, op haar redeloze, dierlijke kanten. De hoofdpersonages uit Meijsings romans vallen al van bij het begin op niet-intellectuele vrouwen. Ook de verheven Martha uit de Erwin-trilogie wordt niet alleen als ideaal omschreven, maar ook als een plat ordinair wezen.

 

De grachtengordel

 

In De grachtengordel (1992) reist Erik Provenier vanuit Italië naar Amsterdam om zijn werk te promoten – iets waar de esthetische en individualistische Erik een hekel aan heeft. Hij vertoont zich maar pas in Amsterdam en prompt wint Erik een prestigieuze prijs. In werkelijkheid gaat het om de AKO-literatuurprijs voor Veranderlijk en wisselvallig. Jeroen Brouwers heeft in zijn redevoering naar aanleiding van het winnen van de Gouden Uil voor zijn roman Geheime kamers verwoord waar het in dit boek van Meijsing om draait: “Deze circussen van ijdelheid, maar ook van zakelijke belangen en van handjeklap achter de schermen, worden opgevoerd ter meerdere gloria van niets anders dan commercie.” In De grachtengordel lezen we dezelfde ideeën. Iemand zegt tegen Provenier:

 

 

Je zou je wat minder superieur, wat minder vijandig kunnen opstellen. Je draait niet mee in het circus. Je zou je gezicht wat vaker moeten laten zien, van je laten horen, de mensen erop attent maken dat je er bent. Je weet net zo goed als ik dat boeken niet op zijn inhoud maar op auteur verkopen. Die moet dan wel salonfähig zijn.

 

 

De roman is natuurlijk in de eerste plaats een sleutelroman. Naast het alter ego van Meijsing zelf (Provenier), komen ook de schrijvers A.F.Th. van der Heijden (Albert Zeggers) en Kester Freriks (Kaspar Christiaans) voor, alsook de uitgevers Theo Sontrop (Leo de Wolff) en John Polak (Schultz). De Amsterdamse grachtengordel staat symbool voor het literaire leven van auteurs, uitgevers en recensenten. Meijsing biedt een kijkje achter deze literaire schermen en dat levert niet veel schoons op: achterdocht, vriendjespolitiek en gezuip. Tom Van Deel sprak in zijn recensie in Trouw (17/09/1992) over een ‘olympisch dedain’, ‘rancuneuze clichés van een mafieus netwerk’ en een boek vol clichés. Maar we zouden er beter aan doen de roman te zien als een natuurlijke schakel in Meijsings werk. Het narcisme van de Erwin-trilogie wordt gewoon doorgetrokken naar de literaire wereld. Meijsing is arrogant. Meijsing heeft misprijzen voor het circus der ijdelheden. En dan? Het levert immers betere boeken op dan wat doorsnee schrijvers produceren. Dat Meijsing geen links geëngageerde schrijver is, was al langer duidelijk. Van Deel schrijft verder dat De grachtengordel een boek is voor mensen die niet om literatuur geven. Het tegendeel is waar.

 

Maar Meijsing komt niet enkel naar de Nederlandse hoofdstad om zijn boek te promoten. Hij gaat ook in de hoop – en de angst – om iets van Laura te horen: “hij wilde tot elke prijs vermijden dat hij het meisje tegen het lijf zou lopen voor wie hij was teruggekomen naar A*, maar zijn hart was zo vol van haar dat hij, in talloze vreemde vrouwen details meende terug te vinden, een gebaartje hier, een kledingstuk daar: haar aanwezigheid impregneerde de stad.” Eerder had Provenier zich in de stad al bediend van escortmeisjes. “Goedenavond, met Provenier – ik wil voor vannacht een meisje bestellen.” Slechte vrouwen zijn nu eenmaal de leukste. Na het winnen van de prijs zou Provenier echter nog eenmaal optreden in Nijmegen. Het boek eindigt met de woorden:

 

 

Iemand was blijven zitten in het midden tussen de verder verlaten stoelen, hij zag alleen haar silhouet. Natuurlijk geloofde hij zijn ogen niet, hij moest zichzelf vergewissen, liet de mensen met wie hij in gesprek was abrupt in de steek en liep weg, als in een droom, van de tafel waaraan hij had zitten signeren. Het meisje met het wijde haar was langzaam opgestaan, zij omhelsden elkaar, ze kuste hem, ze hielden elkaar op afstand en lachten, en drukten zich weer tegen elkaar aan. Zij had op hem zitten wachten; zij was naar hem komen kijken, zoals hij ooit naar haar was komen kijken, helemaal in Nijmegen, in dezelfde zaal: omarmend rijm.

 

Het wàs Laura.

 

In zijn laatste boek, Stucwerk (2001), bespiegelingen over zijn geliefde Toscane, lezen we in het hoofdstuk Verliefd in Versilia nog een laatste maal over Laura. Een ‘niet onverdienstelijke musicienne’ komt hem opzoeken in zijn ballingsoord. “Mijn monnikenbestaan werd al de eerste dag verstoord, toen zij […] zich meteen op het terras voor mijn huis in de zon had geïnstalleerd […] naakt op een hoog uitgesneden tangaslipje na […].”

 

De ongeschreven leer

 

In alle boeken van Meijsing zitten Platoonse elementen. De ongeschreven leer (1995) echter is Meijsings groots opgezette Plato-boek. Al sinds de Oudheid deed het gerucht de ronde dat Plato’s leer niet enkel te vinden is in de overgeleverde dialogen. Hij zou ook nog een ‘ongeschreven leer’ hebben, een esoterische leer enkel bestemd voor ingewijden. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijke theorie zijn te vinden bij Aristoteles, maar voornamelijk in Plato’s brieven. Er is echter veel discussie over de echtheid van deze brieven. Vandaag zijn er geleerden die de echtheid van de brieven erkennen; anderen betwisten dat. Daarom is er rivaliteit tussen zij die menen dat alles wat Plato had te melden in zijn dialogen te vinden is en zij die blijven vasthouden aan de ‘ongeschreven leer’. Het boek van Meijsing is één grote zoektocht naar de verborgen theorie van Plato.

 

Deze keer is Kanger het hoofdpersonage. Hij werkt op het Filosofisch Instituut. Zijn baas, de hoogleraar Hovenier, is spoorloos verdwenen. In zijn zoektocht naar Hovenier, komt Kanger in Tübingen terecht, het centrum van het hedendaagse Plato-onderzoek, en zelfs in Syracuse. Hij komt ook op het spoor van de sekte Vrienden van de vorm, die zelfmoord promoten als een waardige dood. Zelda, een androgyn meisje, zoekt op haar beurt ook naar de ongeschreven leer. Ondertussen valt iedereen dood die op het spoor is van de esoterische leer. Ook Hovenier.

 

Het is weer een gewaagde roman geworden die speelt met feit en fictie: echte Plato-kenners, zoals Cornelia Vogel, komen voor in het boek en de voetnoten verwijzen naar gespecialiseerde en bestaande Plato-literatuur. Hans Duikhuis (Trouw, 17/11/95) heeft er ook op gewezen dat uit de voetnoten blijkt dat Zelda’s Duitse oudoom Gottlob in menig opzicht trekken vertoont van ene Mannfred Eidechse en dat deze figuur eigenlijk Martin Heidegger is. De ongeschreven leer refereert ook aan Meijsings vorige boeken. Zo is een rouwadvertentie afgedrukt die de dood van Erwin Garden in Golino op 5 oktober 1972 meldt. Ondergetekend door Joyce & Co: Michael van Mander, Erik Provenier, Tony Mascini, Justus Gnirrep en Keith Snell.

 

Het boek kon ook weer op veel weerstand rekenen bij publicatie. Meijsing gaat inderdaad niet uit van het feit dat de lezer dom is; hij stelt eisen aan de lezer. Het is doorbijten, ook voor een gediplomeerd filosoof. Toch is het zo dat, eenmaal in het ritme gekomen, de roman ook spannend is. Bovendien herhaalt Meijsing in dit boek zijn esthetische idealen: een boek moet vormelijk goed geconstrueerd zijn en heeft niets van doen met nuttigheid. In NRC-Handelsblad (10/10/95) herhaalde Hans Goedkoop de bekende verwijten: Meijsing is arrogant, zelfingenomen en pedant. Het boek blijkt bij hem “vooral een ongewone irritatie op te roepen van de eerste tot de laatste pagina.” Bedoeld wordt: vanaf de laatste pagina tot de eerste, want De ongeschreven leer begint bij pagina 487 en loopt af tot bladzijde 1. Op die manier leest de lezer naar de ontknoping toe. 

 

Natuurlijk is deze roman wel op meerdere punten zorgvuldig cijfermatig berekend. De ondertitel luidt: ‘een cijferroman in 499 bladzijden, 144.000 woorden en 499 voetnoten’. Op de ‘gebruiksaanwijzing’, een kaartje meegeleverd met het boek en ondertekend door de redactie van De Arbeiderspers, staat: “Deze Cijferroman heeft een structuur die de schepping van de wereld naboots [sic]. De tekst bestaat uit exact 144.000 woorden, die zijn geordend op basis van de vijf Platonische figuren en de heilige tetractys. De heilige tetractys is de oorsprong van alle dingen en de bron van de natuur. De harmonie waarin de sirenen zingen…”

 

 

Tussen mes en keel

 

Hoewel alle romans van Meijsing spelen met de grenzen van feit en fictie, wordt Tussen mes en keel (1997), die de Gouden Uil won, autobiografisch genoemd. Nochtans is niet Geerten Meijsing, maar wel Erik Provenier het hoofdpersonage. Door de slechte ontvangst van zijn vorig boek en omdat zijn vriendin hem heeft verlaten, komt Provenier in een depressie terecht. “Ik moest het onderkennen: dat ik bang was, doodsbang, nog nooit was ik zó bang geweest, ik wist alleen niet waarvoor.” Hij onderneemt een zelfmoordpoging: “Als het leven dan op een kunstwerk leek, moest je het zelf ook durven voltooien.” Aanvankelijk probeert Meijsing/Provenier via ‘zelfmedicatie’, alcohol en amfetamine, zichzelf te genezen. “Charlie Parker had het zo verwoord: ‘Ik heb altijd maagpijn. Stap ik naar de dokter, dan kost me dat vijfenzeventig dollar, maar die pijn gaat nauwelijks over en komt altijd weer terug. Ga ik naar de man op de hoek, dan betaal ik een joet en ik ben overal van af.’” Provenier, zo wisten we al uit zijn vorig romans, moet niet veel weten van psychiatrie en al zeker niet van de charlatan uit Wenen. Bovendien is er de omgeving die van mening is dat alleen mensen die toch al een slap of onevenwichtig karakter hadden met geestelijke problemen te kampen krijgen. Maar op het dieptepunt, “metafysische paniek, totale ontzetting, existentiële Angst”, kan hij niet anders: hij gaat naar een psychiater en neemt medicijnen. Geen gegraaf in het verleden: geestelijke stoornissen zijn te wijten aan een verstoring van de chemische structuur in de hersenen. Daarom neemt Provenier antidepressiva, nieuwe generatie, weinig bijwerkingen: bijvoorbeeld Seroxat. Uiteindelijk laat hij zich, na een nieuwe zelfmoordpoging, vrijwillig opnemen in een Amsterdamse psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Provenier lijdt aan een bipolaire stoornis, type II: depressiviteit met manische opflakkeringen. Ook is er sprake van onderliggende chronische dysthymie, stemmingswisselingen die endogeen zijn (dus zonder aanwijsbare aanleiding, in tegenstelling tot persoonlijkheidsstoornissen die veroorzaakt zijn door traumatische ervaringen). Deze dysthymie is een prima voedingsbodem voor het uitbreken van een depressie. Personen die hier vatbaar voor zijn, zijn heel gevoelig: “Somber, niet in staat om te genieten, zelfkritisch, sceptisch, nauwgezet en met veel zelfdiscipline, altijd aan het piekeren en vol zorgen voor de toekomst, gefixeerd op falen en negatieve gebeurtenissen, […] een overmaat aan fatsoen en overgevoeligheid voor krenkingen en voor verlies.” Voor zijn bipolaire stoornis weigert Provenier lithium te nemen om zijn manische periodes, waarin hij bijvoorbeeld graag betaalt voor seks, niet te verliezen. Tussen mes en keel is een roman die naast de plot ook heel wat feitelijke gegevens over geestelijke gezondheid bevat. Toch is het ook heel erg persoonlijk. En weer die eeuwig mooie stijl. Zelfs van een dieptepunt in zijn leven, heeft Meijsing een kunstwerk gemaakt.

 

Dood meisje

 

In De ongeschreven leer konden we al lezen dat Erwin altijd al nieuwsgierig was geweest naar de zelfkant. In zijn vorige roman had hij die zelf meegemaakt in de psychiatrische instelling en bij zijn gebruik van diverse escortservices. In Dood meisje (2000) duikt de hoogleraar Hovenier uit De ongeschreven leer weer op. Die was in Tübingen het slachtoffer geworden van een aanslag omdat hij op het spoor was van de ongeschreven leer van Plato. Zijn Filosofisch Instituut bestaat echter niet meer en hij keert zich definitief van de wetenschap af. Na een bijna-dood-ervaring neemt hij een andere identiteit aan: via een lijkenverwisselling met een zwerver, leeft hij voortaan verder onder de naam Gardenier. (Later in de roman wordt hij trouwens weer Hovenier.) Provenier belt terug escortbureaus op om zijn eenzaamheid te doorbreken. Op die manier komt hij in contact met Lily, een ‘borderliner’ waarmee hij een haat-liefdeverhouding heeft. Ook hier weer komen beschouwende stukken over psychiatrie voor, deze keer over het ‘borderliner-syndroom: “Lily kon haar tijd niet indelen. Zij was totaal het ritme kwijt van dag en nacht. Zij had geen toekomstplannen of –verwachtingen; alleen het heden gold voor haar […]. Er was geen begrijpelijke structuur zichtbaar in haar persoonlijkheid, die louter inspeelde op de omstandigheden.” Geen endogene stoornis deze keer, maar een persoonlijkheidsstoornis. Het hoofdpersonage probeert haar te redden uit de onderwereld van seks en drugs. Maar uiteindelijk wordt hij daarvoor door Lily niet beloond.

 

Dood meisje is de laatste roman van Meijsing en werd genomineerd voor de Gouden Uil, waar uiteindelijk Brouwers – terecht - mee ging weglopen. Het laat nog eens zien op welke manier Meijsing in een schitterend proza, nog altijd decadent en klassiek, speelt met werkelijkheid en fictie. En het laat nog maar eens zien dat Meijsing verscheurd wordt door een liefde voor een meisje aan de zelfkant. De tragiek van Meijsings werk: altijd gedreven door verlangen en verscheurd tussen het intellectuele en het vulgaire. De muze en de callgirl. 

 

 

[Kris Velter]

 

 

Voor dit artikel werd gebruik gemaakt van:

 

-          de werken van Geerten Meijsing, uitgegeven door de Arbeiderspers

-          Van der Weide J. [et al.], Dossier Meijsing, in: Literatuur, Jrg. 19 (2002), nr. 1, pp. 3-22

-          de recensie van De ongeschreven leer door Hans Dijkhuis (Trouw, 17 november 1995)

-          de recensie van De ongeschreven leer door Hans Goedkoop (NRC-Handelsblad, 10 november 1995)

-          de recensie van De grachtengordel door Tom van Deel (Trouw, 17 september 1992)

 

 

De commentaren zijn gesloten